Ongelijkheid groeit, nu ook in Nederland

Het is ongelijk verdeeld in de wereld. En de afgelopen jaren is het nog ongelijker geworden.

De OESO, een denktank van 38 industriële landen, komt binnenkort met een onderzoek naar inkomensongelijkheid. De OESO ontrafelt met een doorgaans liberale visie de structurele factoren die economische groei bepalen (onderwijs, belastingen, sociale regelingen). Is inkomensongelijkheid, traditioneel een onderwerp op de politieke agenda van links, zover doorgeschoten dat de OESO bezorgd is?

In een grote meerderheid van de industriële landen blijken de beschikbare reële inkomens van huishoudens duidelijk uit elkaar gegroeid tussen medio jaren tachtig en 2008, onthult een voorbeschouwing van de OESO. De rijkste 10 procent van de huishoudens boekten aanzienlijk meer verbetering dan de armste 10 procent. In de VS en het Verenigd Koninkrijk, landen met grote ongelijkheid, groeide het verschil met jaarlijks 1,4 respectievelijk 1,2 procentpunt.

Maar juist de landen met een gelijkmatiger opbouw maken een inhaalslag, observeert de OESO. In Zweden groeide het verschil tussen laagste en hoogste 10 procent met 2 procentpunt per jaar, in Duitsland met 1,5 procentpunt, in Noorwegen met 1,3 procentpunt.

Nederland is in cultureel-sociologisch opzicht ook lid van de Scandinavisch familie, meer geënt op coalitie en consensus dan op confrontatie, meer op zijn gemak met feminiene waarden dan met het rauwe kapitalisme. Evenwichtige inkomensverdeling was decennialang een van de vijf doelstellingen van de Sociaal-Economische Raad van werkgevers, vakbonden en experts. De oer-Hollandse Balkenende-norm, die moet voorkomen dat het graaivirus uit het bedrijfsleven overslaat naar de publieke sector, is een moderne variant hierop.

Maar ook bij ons is de ongelijkheid toegenomen. De OESO becijfert het groeiende verschil tussen de bovenste en de onderste 10 procent huishoudens op 0,9 procentpunt. Vorig jaar constateerde het Centraal Planbureau (CPB) al dat de ‘bonusklasse’ aan de top van het bedrijfsleven duidelijk afstand had genomen van de rest van Nederland. De jaarlijkse edities van het ‘bonusoproer’, nu met de top van ING in de hoofdrol, illustreren permanent sluimerend ongenoegen.

Het OESO-onderzoek maakt ook duidelijk dat de structurele veranderingen die de ongelijkheid aanwakkeren en die het CPB ook noemde, zich internationaal manifesteren. Zoals het feit dat hoger opgeleid, internationaal mobiel kader een betere beloning krijgt. Dat er extra druk is ontstaan op lonen van lager opgeleiden door uitbesteding van activiteiten naar lagelonenlanden. Maar ook dat de groei van het aantal eenpersoons huishoudens leidt tot grotere verschillen, terwijl de trends op de huwelijksmarkt hoger opgeleiden in de kaart spelen.

Liefde is niet blind, constateerde demograaf Jan Latten in 2005 bij zijn aanstelling als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. „Partnerkeuze is vooral een uitsortering op gelijkheid.” Opleiding is kennis en kennis laat zich in de economie soepel vertalen in meer geld. Latten: „Sinds het opleidingsniveau van vrouwen stijgt en hoog opgeleiden met elkaar trouwen groeit het aantal huishoudens met een dubbel kenniskapitaal.”

Maar extra kennis vertaalt zich niet in gelijke beloning. Vrouwen verdienen 80 procent van wat mannen bruto verdienen, zegt de Emancipatiemonitor 2010. Als de bedragen worden ontdaan van verschillen in werkervaring, opleiding en bedrijfstak, is er nog een onverklaard verschil van 9 procent (bedrijfsleven) en 8 procent (overheid).

Helaas, sommige verschillen zijn nog schrijnender. Collega Schinkel en ik zijn de komende twee weken weg. Vakantie. Vijf vrouwen nemen onze taak hier over. Ja, vijf voor twee. Is dat onze marktprijs? Is het zo ongelijk verdeeld in de wereld? Zijn wíj dat wel waard?

Zíj zijn het in elk geval waard om gelezen te worden.

Menno Tamminga