Taps in zaak-Rajaratnam misschien onrechtmatig

Afgeluisterde telefoongesprekken hebben de veroordeling van Raj Rajaratnam wegens handel met voorkennis in New York afgelopen woensdag zo goed als bezegeld. Maar de twijfelachtige tactiek van de FBI bij het bemachtigen ervan roept de vraag op of het doel de middelen heiligt. De oprichter van Galleon zal de geheime opnamen waarschijnlijk in hoger beroep aanvechten.

In 1968, na decennia van lukrake afluisterpraktijken van FBI-directeur J. Edgar Hoover, stonden de federale autoriteiten telefoontaps slechts toe in de ernstigste zaken waarbij de georganiseerde misdaad was betrokken. Maar zelfs in dat geval mochten ze uitsluitend worden ingezet als de politie kon aantonen dat minder indringende methoden niet werkten.

In de loop der jaren is de lijst misdrijven waarbij afluisteren is toegestaan gegroeid, maar handel met voorkennis heeft er nooit deel van uitgemaakt. In de zaak tegen Rajaratnam mochten agenten zijn telefoon afluisteren omdat ze een onderzoek tegen hem waren begonnen wegens elektronische fraude en het witwassen van geld – misdrijven die wél op de lijst voorkomen. Daarbij stuitten ze op bewijzen voor handel met voorkennis. Ze beweerden tevens dat dagvaardingen, verhoren en andere conventionele werkwijzen niet zouden helpen.

Maar ze vertelden niet het hele verhaal. Het belangrijkste is dat ze bij het verkrijgen van toestemming voor het afluisteren van de telefoon van de verdachte niet hadden gemeld dat de Amerikaanse beursautoriteit SEC (Securities and Exchange Commission) Rajaratnam al jaren in de gaten hield en daarbij methoden gebruikte waarvan de agenten nu beweerden dat ze nooit zouden werken. De rechter in de zaak tegen Rajaratnam noemde dit een ‘flagrante omissie’, maar oordeelde niettemin dat de telefoontaps als bewijsmateriaal noodzakelijk waren en weigerde ze onrechtmatig te verklaren.

Dat bewijsmateriaal bleek vernietigend. Maar als de omissie van de federale agenten zo flagrant was geweest, is het redelijk te veronderstellen dat het bewijsmateriaal niet toegelaten had mogen worden. Andere gerechtshoven hebben het ook niet aangedurfd ongeoorloofde telefoontaps te bestraffen. Vorige maand berispte een federale rechter FBI-agenten wegens ‘kolossale’ fouten bij het opnemen van de ‘zeer persoonlijke’ gesprekken van een verdachte – iets wat ze ook niet mogen doen. Toch weigerde hij de tapes als bewijsmateriaal af te wijzen.

Het is al een teken aan de wand dat een instrument dat was bedoeld voor het in de kraag grijpen van gevaarlijke schurken nu wordt gebruikt tegen mogelijk frauderende beleggers. Het is makkelijk in te zien waarom dat noodzakelijk kan zijn, vooral omdat bedriegers zo verstandig zijn om geen e-mail te gebruiken. Maar rechters moeten er toch voor zorgen dat de openbare aanklagers zich aan de regels houden.

Rajaratnam zal waarschijnlijk in beroep gaan. Zijn advocaten zullen er dan op aandringen de telefoontaps te laten verbieden en daarmee zijn veroordeling ongedaan te maken. Dat zal een Amerikaanse rechtbank in ieder geval de kans geven de grenzen bij het afluisteren van telefoongesprekken nader te bepalen.

Reynolds Holding

Vertaling Menno Grootveld