Stam is sterker dan staat

De generatie van het Tahrir-plein mist een helder programma voor haar opstand. Historische voorbeelden zijn ook niet voorhanden, want in de geschiedenis van het Arabisch schiereiland en het Ottomaanse Rijk is geen spoor van volkssoevereiniteit te bekennen.

Arabische Lente’ is hun revolte gaan heten. De Praagse Lente, die van 1968, had een programma (socialisme met een menselijk gezicht), een (partij-)organisatie en leiders. De jongeren van de Tahrir-generatie (vrijheid – een plein én een droom) komen niet verder dan ‘vrije verkiezingen’. De organisatie is vooral virtueel en als er al leiders zijn, blijven ze onzichtbaar. Zodra er onderhandeld moet worden met een overgangsbewind, schuiven oude mannen aan: gewezen diplomaten, overgelopen ministers, militairen en Moslimbroeders. In Tunis namen politici van dezelfde generatie het stokje over, in Kairo trekt het leger aan de touwtjes en in Jemen staan een fundamentalistische generaal en een ondernemende stamleider klaar om de macht over te nemen. Tot nu toe zijn jongeren alleen stoottroepen in de machtsstrijd van anderen.

Als de Tahrir-generatie zelf het roer wil overnemen, moet ze eerst de staat opnieuw uitvinden. Want de Arabische wereld heeft geen ervaring met democratisch gekozen leiders. In de loop van veertien eeuwen kende die alleen stamoudsten, religieuze voorgangers, koningen en generaals. Oude, voorname en vaak meedogenloze sterke mannen.

Veertien eeuwen geleden was de ‘Arabische wereld’ veel kleiner dan nu. Het woongebied van de Arabisch sprekende stammen was beperkt tot Al-Jazira (het schiereiland), een woestijngebied tussen Rode Zee en Perzische Golf, van de Indische Oceaan in het zuiden tot de Perzische en Byzantijnse rijksgrenzen in het noorden. Deze op verwantschap gebaseerde samenleving kende geen staat. De shaykh (sjeik, Arabisch voor ‘oude man’, stamoudste) kwam uit een voorname clan en leidde in overleg met een majlis (‘plaats waar men zit’, raad van notabelen).

Deze gesloten, tribale wereld werd snel groter door het optreden van Mohammed ibn Abdullah, koopman te Mekka, een nederzetting aan de karavaanroute tussen Jemen en Damascus. Hij gaf begin zevende eeuw de Arabieren hun eigen leer, de islam, monotheïsme met een sterk sociaal ethos. De nieuwe religie bracht een eerste vorm van politieke organisatie die stamverbanden oversteeg: de umma (‘natie’, gemeenschap der gelovigen). Onder de eerste opvolgers (khalifa) van de profeet Mohammed expandeerde de islam in razend tempo. Al-Jazira omhelsde de nieuwe leer en de ruiterij der bedoeïenen raasde als een wervelwind door de woestijngordel van Noord-Afrika en Voor-Azië. Voortaan zou de Arabisch sprekende wereld zich uitstrekken van Rabat tot Basra.

In de eerste decennia van Arabisch-islamitische expansie werden de kaliefen verkozen uit de naaste kring van Mohammed. Maar naarmate de veroveraars onder Byzantijnse en Perzische invloeden kwamen en de islam verstedelijkte, met als centra Damascus, Bagdad en Kairo, werd de macht in het rijk overerfbaar. Sudayf bin Maymun, een Arabische dichter uit de achtste eeuw, beklaagde zich over de ontwikkeling van het kalifaat: „Bij God, onze winst, die gedeeld werd, is een fooi geworden voor de rijken. Ons leiderschap, dat zich van overleg bediende, is willekeurig geworden. Onze opvolging, die volgens de keuze van de gemeenschap tot stand kwam, is nu een erfenis.” Regels die geschreven hadden kunnen zijn door een dichter op het Tahrir-plein.

De kalief was aanvankelijk amir al-mu’minin (leider der gelovigen), legeraanvoerder en wereldlijk gezagdrager in één. Maar in de loop van de negende eeuw dook naast de kalief een nieuw personage op: de succesvolle legerleider, die eerst provinciaal gouverneur werd en op den duur de kalief alleen nog erkende als leider der gelovigen. In de loop van de Middeleeuwen viel het islamitische rijk, onder druk van Kruistochten, Turkse en Mongoolse invallen en de machtshonger van plaatselijke potentaten, uiteen in een reeks emiraten met elk een eigen dynastie.

Tegenwoordig wemelt het in de Arabische wereld van de koningen, maar dat zijn eigenlijk stamoudsten. Vanouds hadden de egalitair ingestelde Arabieren geen vorsten. Het Arabische sultan betekent zoiets als ‘autoriteit’. Ook de Ottomaanse Turken, die in de late Middeleeuwen geleidelijk heer en meester werden in het Midden-Oosten, waren oorspronkelijk nomaden. Zij noemden hun eerste vorsten nog bei (stamhoofd).

De soeverein van het nieuwe rijk werd pas sultan in 1383, toen Murad I die titel kreeg van de schaduwkalief in Kairo. Aan het religieuze gezag van de laatste kalief kwam een einde toen de Turken in 1517 Egypte veroverden. In de achttiende eeuw herstelden de Ottomanen het kalifaat en werd de sultan tevens leider der gelovigen. Vier eeuwen lang zou alle macht in de Arabisch sprekende wereld in handen zijn van niet-Arabieren.

De Arabische rijksdelen gleden weg in een provinciale sluimer. Arabieren konden op den duur opklimmen in leger en bureaucratie, maar niet-Arabieren bleven sleutelposten bezetten, ook in de vazalstaten Algerije, Tunesië en Egypte.

De afbrokkeling van het Ottomaanse rijk begon met de Franse bezetting van Algiers in 1830. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kozen Turkse nationalisten, die in 1908 een einde had gemaakt aan de absolute macht van sultan Abdul Hamid II, de kant van de Asmogendheden. Daarop reageerden de Britten met een ongekend succesvolle inlichtingenoperatie: de Arabische opstand, te velde geleid door geheim agent T.E. Lawrence. Hij spiegelde Husein ibn Ali, sherif van Mekka en een nazaat van Mohammed, voor dat hij en zijn zonen na de oorlog zouden heersen over een vrij Arabië. Maar toen de Turken waren verslagen en het Ottomaanse Rijk uiteenviel,werden de Arabische provincies Britse en Franse mandaten, protectoraten en kolonies. De zonen van Husein werden marionettenkoningen in Transjordanië en Irak. Het Arabische stamland Al-Jazira, waarin Britten en Fransen vóór de aardolievondst geen belang stelden, werd een nieuwe theocratie. De heilige steden Mekka en Medina werden veroverd door een bedoeïenenvorst uit Nedjd, Abd al-Aziz Ibn Saoed, een fervent aanhanger van de puriteinse sekte der wahabieten.

Toen de Arabische wereld was onderworpen aan Europese machten werden twee ideologische antwoorden geformuleerd op die vernedering: 1) de islam als leidraad voor heel het sociale en politieke leven en een terugkeer naar het kalifaat; en 2) een seculier nationalisme met autocratische trekken. Die twee modellen strijden nog steeds om voorrang in het Midden-Oosten. En in al dat geweld is er bar weinig ruimte voor democratische alternatieven.

In het ‘Arabië’ van vandaag bestaan drie soorten machtsbases en die zijn eeuwenlang niet wezenlijk veranderd. In de eerste plaats het leiderschap van een clan of stam of het lidmaatschap van een koninklijke familie (Hashemieten, Saoeds, al-Sabah’s, al-Khalifa’s). In de tweede plaats religieus gezag (ulama en imams), maar religieuze voorgangers worden in de sunnitische wereld – anders dan in de shi’itische – gewantrouwd als ze te dicht aankruipen tegen de staatsmacht. En in de derde plaats een militaire loopbaan. Die marsroute naar de macht is afgelegd door Gamal Abdel Nasser, Moammar Gaddafi, Anwar Al-Sadat, Hosni Mubarak en Hafez Al-Assad.

Sinds de Arabische landen na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werden, kwamen leiders steevast aan de macht door erfopvolging of een militaire coup. Een loopbaan in een partij, zoals de seculiere Ba’ath (Reveil) Partij in Syrië en Irak, lijkt een vierde route, maar die is lastig te onderscheiden van de andere. Want bijna nergens in de Arabische wereld zijn er buiten de staatspartij onafhankelijke formaties en de staatspartij wordt óf gecontroleerd door (Egypte) óf is verweven met de legertop (Syrië). En partijen zijn maar al te vaak familienetwerken. Het bedrijfsleven zou een alternatieve springplank naar de macht kunnen zijn, maar alle strategische sectoren van Arabische economieën zijn in handen van de staat.

Wil de Tahrir-generatie een gooi kunnen doen naar machtsposities, dan moet eerst dit politieke systeem worden ontmanteld. Dat is niet louter een kwestie van constitutionele hervormingen, maar vereist een culturele revolutie.

Ghassan el-Hakim (26), filmregisseur uit het Marokkaanse Rabat, werd als lid van de nieuwe Arabische lichting ondervraagd door de New York Times. Hij is sceptisch: „Historisch gezien hebben Arabieren altijd geleefd in een tribaal systeem. Mensen hebben geen herinneringen aan democratie. Zo besturen wij niet. We hebben altijd een leider nodig, iemand die zegt ‘doe dit; doe dat’. Mensen die zichzelf besturen? Onmogelijk.”

Dirk Vlasblom