Meerschermigheid

Zullen we de televisie weggooien? Dat zit maar avond na avond zichzelf te feliciteren. Daar zie je maar programma’s op bewegen waarvan je niet weet of ze daar voor de honderdste of tweehonderdste keer op bewegen. Dat is zo’n cultureel verheffend en sociaal opwaarts strevend ding geworden dat je intussen denkt dat Frans Bauer je buurman is en Jort Kelder je zuster.

In de oude tijden, lieve kinderen, toen had iedereen maar één scherm thuis. Behalve de rijken, die hadden ook nog een haardscherm en een kamerscherm. Maar voor de gemene troep was er alleen dat televisiescherm waarop zangers zongen, nieuwslezers nieuws lazen en verstandige mensen verstandige gedachten uitwasemden. ‘Venster op de wereld’ heette dat. ’t Was de trots van iedere woning.

Maar langzamerhand werden de echte zang, het echte nieuws en het ware verstand opzij gedrukt en drongen zich de onvervalste idioten naar voren. Het venster op de wereld werd een vergrootglas op een lachspiegel.

Geen nood, intussen waren er genoeg andere schermen in huis opgedoken. Naast het televisiescherm hield iedereen er één, twee, drie, vier, vijf computerschermen op na. Niemand was nog langer verplicht naar stomme praatjes te luisteren of te kijken naar opdwarrelend schuim.

Het stond iedereen vrij zijn eigen stomme praatjes of luchtbellen te kiezen.

En wat bestond er oneindig veel meer rotzooi in de wereld dan de televisie avond na avond in een eeuwige herhaling had te bieden! Wat kon uit de muur eten heerlijk zijn, als je het maar niet voortdurend hoefde te herkauwen! Wat was ellende mooi, als er maar genoeg variatie in ellende was!

Het televisiescherm was een lui, loom scherm geworden.

Er was ineens een invalide die Hilversum heette en een duizendpoot, genaamd internet.

Zullen we de televisie weggooien, schat?

Iedereen heeft recht op rotzooi, maar dan wel op zijn of haar voorwaarden en op het moment dat het hem of haar uitkomt. Bovendien blijven er altijd een paar mensen rondlopen die… nu ja, van het delicatessensoort.

De televisiebonzen van nu verbeelden zich dat ze het volk geven wat het wil. Maar ze geven het volk alleen wat zij willen.

’t Is nooit goed zich te verbeelden dat je weet wat een ander wil, dat geldt voor socialisten en dat geldt voor televisiebonzen.

‘Wie zijn wij om te bepalen wat bagger is?’ werd deze week weer een keertje geroepen, ditmaal door Paul Römer (Big Brother), televisieproducent en aankomend NTR-directeur. Op het zoveelste ouwe-koekdebat in De Balie over de al-of-niet-verloedering-van alles.

Hij bedoelde te zeggen: ‘Wie is onze portemonnee om te klagen over het geld dat door bagger wordt binnengeharkt?’

Maar hoe we zijn vraag moesten interpreteren wisten we al.

Omroepbazen doen graag of hun neus bloedt. Ze vinden telkens weer het wiel voor ons uit, als de oorspronkelijke genieën die ze zijn.

Omroepbazen zijn allang tot het inzicht gekomen dat wordt gedeeld door zestienderangs schrijvers en kladdichters: dat je aan kritiek niets hebt en dat kritiek er dus niet toe doet.

De verdomming en de vernauwing van de televisie, dat altaarscherm uit de oerjaren, is een georkestreerde actie geweest, over een periode van vele jaren met ijzeren geduld uitgevoerd tot het doel voor honderd procent was bereikt – een georkestreerde actie van shitverkopers, politici en kille handelaren.

We mogen geen moment vergeten dat ze ook een oogje op internet hebben. Het liefst zouden ze alle schermen in alle woningen verenigen onder één schermmanagement.

De televisie is op een dag bezweken, door gebrek aan talent.

Maar zoals de wereld alles is wat er is, zo is internet de som van alle talenten. Waar schermen wegvallen ontstaan nieuwe schermen. Er zijn overal ogen waarmee de oogjes van de roofvogels in de gaten gehouden kunnen worden.

Geprezen de hackers die bij ieder vermoeden van veroveringszucht terugvechten.