De plicht tot geluk

Hij had een gelukkig huwelijk gehad, zei de oude man. Met dankbaarheid keek hij erop terug. Zijn vrouw was jonger geweest dan hij. Ze hadden altijd gedacht dat hij het eerst zou gaan. Dat zou moeilijker zijn geweest. Zij kon niet goed tegen alleen zijn. Hij wel. Hij was eigenlijk een eenzaat. Hij sprak heel rustig en vanzelfsprekend, alsof alles altijd goed was, alsof allerlei getob nergens op slaat. Hij was zichzelf genoeg, leek het, ondanks zijn gemis. Hij was gelukkig. Dat zei hij onomwonden.

Wat is geluk? Het overgrote deel van de Nederlanders schijnt gelukkig te zijn, las ik in de krant.

Psycholoog Ad Bergsma, beoefenaar van ‘positieve psychologie’, heeft er onderzoek naar gedaan, waarop hij deze week promoveerde. In zijn proefschrift hoedt hij zich ervoor om een definitie van geluk te geven, al probeert hij wel degelijk te omschrijven wat ‘geluk’ zou kunnen betekenen. Hij wil natuurlijk ook niet alles in het vage laten.

Het is wat anders of je over geluk spreekt als een intense emotie of als een gevoel van tevredenheid, en of je het beschouwt als een intrinsiek vermogen van iemand, of dat je er de omstandigheden voor verantwoordelijk houdt. Een van de auteurs over geluk die Bergsma aanhaalt, Sonya Lyubomirsky, omschrijft geluk als „de ervaring van vreugde, tevredenheid en welzijn, gekoppeld aan een gevoel dat het leven goed is, zinvol en de moeite waard”.

Dat is niet niets. Het klinkt wel als wat de meeste mensen als geluk zouden beschouwen. De weduwnaar die ik sprak, zou het er wel mee eens zijn, denk ik. En zo bezien heeft menigeen vast ook wel reden om gelukkig te zijn. Al zijn er allerlei dingen die het geluk doorkruisen en verhinderen. Als je zoveel pijlers hebt – ‘welzijn’, ‘tevredenheid’, ‘zinvol’ – dan ben je misschien ook al wel weer gauw wat minder gelukkig.

Het klinkt een beetje overdreven om te zeggen: „Ik ben gelukkig.” Ja dat zeg je wel, maar op momenten van een intense gelukservaring, als alles goed is en je bovendien weet dat het moment voorbijgaat. Ook al zeg je dan dat je dat niet wilt, dat voorbijgaan, je weet dat de betekenis van het moment ook gelegen is in de vergankelijkheid ervan.

Dat geldt niet voor het oordeel dat je leven gelukkig is. Bij dat oordeel hoort niet het besef van vergankelijkheid. Daarbij hoort eerder stabiliteit, duur, betrouwbaarheid. De oude man had een gelukkig huwelijk, niet omdat hij elke dag zat te zuchten van geluk, maar omdat hij over het algemeen genomen al die dingen die Sonya Lyubomirsky noemt wel ervoer.

Dat ik het niet zo makkelijk vond om te zeggen dat ik gelukkig ben, zei ik tegen hem. Dat het me niet meer zo goed lukt.

Hij keek me verontwaardigd aan. Ik had alles! Niets te klagen! Het zou een schande zijn als ik mezelf niet gelukkig noemde!

Geluk als plicht. Hij begon over mensen die het minder hadden, over ziekte en armoede, over écht ongeluk. Ja. Daar valt weinig tegenin te brengen, daartegenover ben je altijd gelukkig, zoals je in een arm land altijd rijk bent.

Zouden al die gelukkige Nederlanders het ook zo bedoelen? We moeten wel gelukkig zijn, want kijk eens hoe goed we het hebben? Vervolgens is er dan altijd iets wat onbehagen geeft. Gebrek aan vervulling. Gebrek aan zinvolheid.

Zoals je onder matige omstandigheden of als je wel degelijk iets te klagen hebt, tóch gelukkig kunt zijn, zo kun je onder goede omstandigheden toch niet zo gelukkig zijn. Het eerste vinden we mooi en bewonderenswaardig, het tweede verwend gezeur. Omdat we dan ineens een onevenredige nadruk leggen op de omstandigheden: zijn die goed, dan heb je niets te klagen. En klagen doe je ook niet, maar gelukkig, gelukkig...

Wat is dat trouwens ook voor behoefte, om ‘gelukkig’ te zijn? Zou ‘tevreden’ niet ruimschoots mooi genoeg zijn?

De plicht tot tevredenheid, daar wil je je trouwens wel bij neerleggen: ‘wees nu toch eens tevreden’, zeggen we heel makkelijk.

Maar een plicht tot geluk – nee. Er kan in iemands innerlijk iets zijn – een melancholische hang, een depressieve inslag, een angstigheid – wat geluk tot niet zo’n voor de hand liggend gevoel maakt. Als je pijn hebt, als je iemand mist, als er een breuk zit in je leven, dan ben je daarna misschien nog wel tevreden, maar gelukkig niet meer.

Al blijven de geluksmomenten zich toch nog wel aandienen, als je daar tenminste een beetje aanleg voor hebt. Momenten trekken zich vaak verrassend weinig aan van de algehele situatie. Dat is de kracht van momenten, en het gevaar ook trouwens. Je kunt een hevige gelukssensatie hebben gedurende een korte tijd en daarna toch weer het gemis of de pijn of het tekort voelen. Niet wij vinden het geluk, het geluk vindt ons, en treft ons soms op de merkwaardigste plekken en momenten. En net zo goed is het soms heel ergens anders bezig terwijl je verwachtte dat het van de partij zou zijn. Maar daar zit je, aan die zonnige lunch waarop je je verheugde, in de zon doorspikkelde tuin, je bent de uitbeelding van je eigen voorstelling van geluk – maar het geluk is niet hier, het wacht op een andere gelegenheid om onverhoeds bij je te komen zitten en te zeggen: hier ben ik.