Steel waarvan je houdt, hou van wat je steelt

Aan de bibliotheek van Dylan-literatuur voegt een historicus (annex bewonderaar) een nieuw standaardwerk toe. Het waaiert uit en enthousiasmeert.

Sean Wilentz: Bob Dylan in America. The Bodley Head, 335 blz. € 25,–

Een halve eeuw na dato herinner ik me nog de indruk die het op mij als jonge student maakte toen de docent geschiedenis terloops meedeelde dat er over Napoleon meer boeken geschreven waren dan er in een mensenleven gelezen konden worden. De levensverwachting mag dan in die halve eeuw fors gestegen zijn, het zou best eens kunnen dat iets dergelijks binnen niet al te lange tijd over Bob Dylan beweerd kan worden.

De enorme berg materiaal over hem (zin en onzin, pro en contra) is de laatste maanden aangevuld met twee uiterst boeiende boeken. Allereerst dat van Greil Marcus, die al eerder twee boeken over hem publiceerde en nu zijn verspreide Dylan-beschouwingen bundelde, simpelweg getiteld Bob Dylan (uitg. Faber & Faber, 512 blz, € 18,-). Maar een misschien wel verrassender aanvulling op de Dylan-literatuur is Bob Dylan in America van de historicus Sean Wilentz, bekend van werken als The Rise of American Democracy en The Age of Reagan.

Het is een persoonlijk, kleurrijk boek van iemand die zich niet als historicus opstelt maar nadrukkelijk als bewonderaar, een bewonderaar met een ontzagwekkende hoeveelheid kennis over het Amerika waar Dylan zijn materiaal vandaan haalde, het Amerika uit de titel. Hij stelt zich ten doel ‘Dylans werk in zijn bredere historische en artistieke context te plaatsen’. Hij behandelt al doende zo ongeveer Dylans hele oeuvre, en niet alleen de twee periodes waarin Dylan, in Wilentz’ maar ook zijn eigen optiek, zijn sterkste materiaal uitbracht: midden jaren zestig en zeventig, respectievelijk de periode rondom de lp Highway 61 Revisited en die rondom zijn Rolling Thunder Revue.

Het boek waaiert flink uit, met lange beschouwingen over componist Aaron Copland, blueszanger Blind Willie McTell en enkele historische gebeurtenissen die aan een aantal songs ten grondslag lagen. Wilentz is zich daarvan bewust. ‘Ik vraag de lezer geduld te hebben en al deze hoofdstukken toch door te lezen, in de overtuiging dat de connectie met Bob Dylan spoedig geopenbaard zal worden.’

Die belofte maakt hij niet helemaal waar. Het is interessant om te lezen hoe Copland zich, net als Dylan, delen van de Amerikaanse populaire muziekgeschiedenis toe-eigende en ze in zijn werk incorporeerde, maar verder dan de bewering dat Dylan in zijn jeugd ‘bijna zeker’ Coplands muziek had gehoord en de constatering dat hij vanaf 2001 met diens ‘Hoe-Down’ zijn optredens liet beginnen, komt hij niet. Dat rechtvaardigt niet een heel hoofdstuk over deze Amerikaanse componist, hoe boeiend ook. En hetzelfde geldt voor de uitgebreide analyses van nummers als ‘Blind Willie McTell’ (toegegeven, Dylan op zijn aangrijpendst) en ‘Delia’.

Wilentz deinst er dus niet voor terug Dylans hele carrière panoramisch te behandelen, maar zijn voorkeuren zijn af te leiden uit de mate van aandacht die hij aan hoogtepunten en dieptepunten besteedt. Hij begint zijn beschouwingen met zijn eigen jeugd in Greenwich Village, waar zijn vader Elias Wilentz de befaamde 8th Street Bookshop runde. Het was daar dat de jonge folkzanger zijn carrière begon en in contact kwam met de Beat Poets, die hem tekstueel zo zouden beïnvloeden in zijn explosief creatieve periode van enkele jaren later.

Vader Wilentz nam Sean als dertienjarig jochie mee naar het legendarische concert van Dylan in de New York Philharmonic Hall (1964, pas vorig jaar uitgebracht met uitgebreide liner notes van Wilentz). Wie nog eens naar deze dubbel-cd luistert moet de auteur gemakkelijk gelijk geven: hier is een artiest op het toppunt van zijn kunnen aan het werk, maar ook een singer-songwriter op een draaipunt van zijn carrière. Een jaar later zou hij zijn ‘oude’ fans (‘fetishists of authenticity’ noemt Wilentz ze) van zich vervreemden door op het Newport Folk Festival zijn muziek elektrisch te versterken, en niemand die zich op dat moment nog kon voorstellen hoeveel gedaantewisselingen hij in de daaropvolgende decennia zou ondergaan.

Misschien het beste (en ook wel controversieelste) deel van het boek behelst de periode waarover zijn liefhebbers het meest verdeeld zijn – ruwweg vanaf de late jaren tachtig tot aan heden, te beginnen met de cd Oh Mercy tot aan het recentste Together Through Life. Het volgde op een periode waarin Dylan nogal de weg leek kwijtgeraakt. Op veel van deze platen ‘leent’ Dylan frases, beelden, melodieën uit het Amerikaanse culturele erfgoed, hetgeen hem op bittere plagiaatverwijten van zelfs zijn trouwste bewonderaars kwam te staan. Wilentz is fenomenaal in het documenteren van al dit knip- en plakwerk, uit Ovidius, Melville, Shakespeare, W.C. Fields, de Bijbel en Mark Twain, alsmede een keur aan Amerikaanse muziek uit alle denkbare genres, van Charlie Patton tot Bing Crosby, van Frank Sinatra tot Woody Guthrie.

Maar Dylan is vooral een groot recycler van zijn eigen werk geweest en Wilentz stelt zich in dit plagiaatdebat op als een ferm verdediger. Dylan nam vele gedaantes aan in de halve eeuw van zijn loopbaan, maar ‘hij werkte in dezelfde traditie als de minstrelen, kopieerde de maniërismen, de melodieën en teksten van anderen maar transformeerde ze totaal en maakte ze tot iets van hemzelf, een vorm van diefstal die zo Amerikaans is als appeltaart. Hij steelt waar hij van houdt, en hij houdt van wat hij steelt.’ Dat is een geaccepteerd onderdeel van de Amerikaanse folktraditie, zegt Wilentz Dylan na, en hij weet overtuigend te betogen dat het binnen Dylans ontwikkeling een logische stap vertegenwoordigt. Verklaarbaar, en als een bevestiging van hoe intens de zanger die ‘bredere context’ interpreteert; maar dat het af en toe tot beslist beroerde muziek leidde, gaat de auteur uiteraard enkele stappen te ver.

Hoewel Wilentz op verschillende punten laat doorschemeren dat de Dylan van midden jaren zestig hem nog steeds het dierbaarst is, is hij toch mild over de dubieuze platen uit zijn religieuze periode van de jaren tachtig en zelfs over het belachelijke kerstalbum dat hij vorige winter uitbracht en waarvoor als enige excuus kan worden opgevoerd dat de royalty’s naar behoeftige gezinnen gingen.

Toch zou het onzin zijn dit boek als het werk van een true believer af te doen. Wilentz heeft een rijk en hier en daar fascinerend boek geschreven, zeer verhelderend en vol met verrassende inzichten. En vooral ook aangenaam enthousiasmerend: keer op keer zal de lezer, verrast of verbaasd door een observatie of oordeel, naar de platenkast stappen om het desbetreffende nummer op te zetten. En dat is toch misschien wel het beste criterium voor de beoordeling van een muziekboek. Als je je er dan toch al bij hebt neergelegd dat alles over Dylan lezen niet te doen is in een mensenleven, is het geen slechte keuze om, naast Greil Marcus’ werk, met dit boek te beginnen.