Het laatste wat je ziet is een vangrail. Dan wordt het zwart

Oud-renner Bram de Groot lag in de Tour van 2001 na een zware val met bebloed gezicht roerloos op de weg.

De angst voor valpartijen nam in de loop der jaren toe bij de Nederlandse renner.

„Ik zette maandag de tv aan voor de Giro, de laatste vijftien kilometer. De commentatoren waren zo stil, langzaam drong tot me door dat er iets aan de hand moest zijn. Toen kwam het bericht van de val van Wouter. Later beelden. Verschrikkelijk. Ja, dat grijpt je wel aan. Dan komt het ook allemaal weer boven. Die gevoelens van pure angst in de koers, de zware valpartijen die je zelf hebt meegemaakt. Vooral die in de Tour van 2001.

„Het was mijn eerste Tour, de eerste bergrit in de Pyreneeën, de dag na een rustdag als ik het me goed herinner. We hadden de eerste klim gehad, de Col de Jau. Ik reed heel goed. Van voren de afdaling in, een bocht naar links. Ik verlies de controle, weet niet hoe of wat. Misschien remde ik te laat. Een rots en een vangrail, dat zijn de laatste beelden. Dan is het weg. Zwart.

„Mijn helm lag in tien stukken, zonder helm had ik het waarschijnlijk niet overleefd. En als ik twee meter verder doorschuif, lig ik in het ravijn. Dan weet je ook niet hoe het afloopt. Later heb ik foto’s gezien van Cor Vos [bekende wielerfotograaf]. Hoe ik daar lig met al dat bloed en aan een infuus. Nu denk ik: mooie foto’s. Het kost me ook geen moeite om ernaar te kijken. Gewoon omdat ik er zelf niets meer van weet. Dankzij die foto’s besef je een beetje wat er is gebeurd. Raar om een stukje in de tijd te missen. Maar ik hoop niet dat het ooit in mijn gedachten terugkomt.

„De volgende herinnering is als ik wakker word in het ziekenhuis. ‘Wat doe ik hier’ en ‘koers’ waren mijn eerste vage gedachten. Ik had een zware hersenschudding, meer niet. Later zag ik in de spiegel de schade: linkerkant van mijn gezicht opgezwollen, oog helemaal dicht. Zeventien hechtingen. Toch heb ik er maar één litteken aan overgehouden, bij mijn neus. Een paar dagen later was ik thuis, bij mijn ouders. Emotioneel moment, maar daarna hebben we er nooit meer over gesproken. Ik was toen vrijzegel, dat voelt toch anders dan Wouter, die vader zou worden.

„Ik denk dat Wouter ook angst had, dat blijkt uit het sms’je dat hij een dag eerder stuurde. Dat het steeds gevaarlijker wordt. Alle renners krijgen op een gegeven moment angst. Alleen stop je het weg, je moet het wegstoppen. Zelf heb ik hersenschuddingen gehad, gebroken helmen, meerdere botbreuken. Hoe vaker je valt, hoe meer schrik. Zeker toen ik dingen begon te breken, sloop de angst er steeds meer in.

„Iedere keer dat je een ander ziet vallen, komen die angstbeelden. In de Tirreno van 2006 reden we op kop, ik zat achter mijn ploeggenoot Thorwald Veneberg, toen er een hond overstak. Thorwald viel, echt heel hard. Ik zag het voor mijn neus gebeuren. Dan koppel je het meteen naar jezelf. Alles komt dan in een flits terug. Ik heb zitten janken op mijn fiets. Dan laat het zich niet meer wegstoppen.

„Alleen al in mijn eigen ploeg heb ik genoeg ernstige valpartijen meegemaakt. Pedro Horrillo, die in de Giro van 2009 echt op het randje heeft gelegen. Als niet iemand zijn fiets had zien staan bij de ravijn, hadden we hem pas aan de finish gemist. Of Kai Reus, die op training viel toen wij in 2007 in de Tour zaten. Iedereen begon toen over de affaire-Rasmussen, dat het zo verschrikkelijk was. ‘Wat is dit voor rare wereld’, dacht ik al direct. Gele trui weg, maar er was toch niemand dood of zo? Dat Kai in coma lag, vond ik veel erger. Maar daarover sprak niemand.

„Iedere renner weet: morgen is het gewoon weer koers. Maar het kan een keer te veel worden. Kurt Hovelynck kondigt nu aan dat hij stopt. Hij verliest met Wouter zijn derde trainingsmaat, na Frederik Nolf en Dimitri De Fauw. Wouter heeft hem nota bene een keer het leven gered na een val op training. Het lijkt ook wel of ze tegenwoordig vaker vallen dan vroeger. ‘Weer een’, zeg ik dan tegen mijn vrouw.

„Zelf kreeg ik in 2009 geen contract meer bij Rabo. Begrijp me goed, ik kijk terug op een mooie tijd. Ik heb veel aan het wielrennen te danken. Maar op momenten zoals nu heb ik er geen spijt van dat ik niet meer fiets. Dan ben ik blij dat ik het kan navertellen.”