De 'mjoezikul' is jarig

Het duurde lang voor Nederland aan de musical raakte. We hadden onze eigen tradities met zang en (volks)toneel. M-Lab viert met een festival het 50-jarig bestaan van het genre in Nederland. Maar Alle wegen gaan naar Amsterdam was op 24 mei 1960 de eerste musical. Eigenlijk 51 jaar geleden dus. Toch genoeg reden voor feest.

Vijftig jaar geleden wist Nederland nog niet wat een musical was. De theatercriticus van het Algemeen Handelsblad vond het daarom nodig eerst het genre te definiëren voor hij een oordeel velde over de eerste Nederlandse musicalproductie aller tijden. „De musical is van een veeleisende tijd het kwaliteitsproduct”, begon zijn artikel. „In zijn meest ideale vorm, die evenveel geld als voorbereiding vergt, verenigt hij de vaart van een moderne revue met het samenhangend libretto van een operette, zij het met radicaal andere inhoud en een ander klimaat, maar biedt hij vooral een zó sterk doorgecomponeerde, gespannen en dynamische eenheid van dans, zang, actie en decor, dat er zoiets als een ‘Gesammtkunstwerk’ ontstaat, afgestemd op de mens van onze tijd, zijn gevoelsleven, zijn onrust en zijn wijze van kunstconsumptie.”

Eigenlijk was het al 51 jaar geleden. De recensie verscheen op 24 mei 1960, de dag na de première van Alle wegen gaan naar Amsterdam, een door Mies Bouhuys (tekst) en Walter Kous (muziek) geschreven musical in het kader van de Amsterdamse Kunstmaand. Niettemin organiseert M-Lab, het Amsterdamse theater voor musicalvernieuwing, de komende maanden – ietwat verlaat dus – een festival ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de musical in Nederland. De directe aanleiding is echter niet Alle wegen gaan naar Amsterdam, want die voorstelling is allang vergeten, maar de eerste Nederlandse versie van My fair lady, met Wim Sonneveld als professor Higgins, die op 1 oktober 1960 in première ging.

Het heeft lang geduurd voordat de musical in Nederland wist door te dringen. Het genre ontstond al in de jaren twintig in de theaters van New York en Londen, als een combinatie van revue, operette, variété en toneelkomedie. Maar hier leek de belangstelling decennialang nihil. Misschien omdat revue en operette hardnekkig populair bleven, misschien omdat het in Nederland schortte aan geschikte acteurs die ook adequaat konden zingen, of misschien omdat het produceren van een musical een prijzige affaire kan zijn. Hooguit was Nederland vertrouwd met een aanverwant genre: het vooroorlogse volkstoneel à la De Jantjes, waarvan de liedjes tot op de dag van vandaag draaiorgelfavorieten zijn.

De eerste My fair lady was een initiatief van Willy Hofman, directeur van het Luxor-theater in Rotterdam, en Piet Meerburg die voor Luxor de filmprogrammering verzorgde. Samen vonden ze dat het theateraanbod te weinig verrassend was. En toen ze in Londen de nieuwe musical My fair lady hadden gezien, zeiden ze tegen elkaar: „Dat moeten wij in Nederland toch óók kunnen?” Vele jaren later herinnerde Meerburg zich dat de enscenering destijds 200.000 à 300.000 gulden kostte: „Dat was veel geld in die tijd”.

Twee van de drie hoofdrolspelers – Wim Sonneveld en Margriet de Groot – werden uit het cabaret gerekruteerd. De derde, Johan Kaart, was komedie- en filmacteur. Maar voor de kleinere rol van de jonge minnaar, die ook een solonummer omvatte, was in dit land niemand te vinden. Noodgedwongen werd zodoende een Amerikaan geëngageerd die fonetisch Nederlands moest leren zingen. En ook voor het zestienkoppige zang- en dansensemble waren te weinig dubbeltalenten beschikbaar. Hofman en Meerburg losten dat probleem op door de groep te verdubbelen, zodat er naast zestien zangers (onder wie de conservatoriumstudent Marco Bakker) ook zestien dansers aantraden.

De productie was een kassucces. In totaal speelde men 702 voorstellingen gedurende twee seizoenen. Toch was daarmee het pleit voor de musical nog allerminst gewonnen. Het gesubsidieerde Rotterdams Toneel kwam vervolgens met twee goed ontvangen musicals op bescheiden schaal (Irma la douce en Kiss me Kate), maar daarnaast doken diverse vrije producenten op met voorstellingen die vaak voortijdig moesten stoppen wegens gebrek aan belangstelling. Toen de impresario John de Crane halverwege de jaren zestig aan Annie M.G. Schmidt vroeg een musical te schrijven, leek er in Nederland dan ook nauwelijks meer een markt voor het genre te bestaan. Een musical was bijna hetzelfde als een mislukking.

Annie Schmidt beweerde naderhand graag dat ze nog nooit een musical had gezien toen ze haar eersteling, Heerlijk duurt het langst, schreef. Dat is naderhand nog vaak geciteerd. Maar het was pure koketterie. Er bestaat zelfs een foto waarop ze met haar zoontje op bezoek is in de My fair lady-kleedkamer van Wim Sonneveld. Als zijn vaste tekstschrijver kwam ze vanzelfsprekend naar die voorstelling kijken. Maar naar buiten toe poseerde ze liever als ingénue, die zelf ook niet zo precies wist wat een musical was. Ze schiep zelfs nog extra afstand door haar werk te afficheren als ‘mjoezikul’. Zodat de mensen niet zouden denken dat ze het genre serieus nam.

In werkelijkheid werd Heerlijk duurt het langst (1965) niet alleen een fenomenaal succes met liedjes die het eeuwige leven kregen (Op een mooie Pinksterdag, Zeur niet, ’t Is over, Kom Kees) maar ook het schoolvoorbeeld van de typisch Nederlandse musicals die in de volgende decennia toonaangevend waren: cabaretesk in tekst, muziek, uitvoering en afmetingen. Bijna alles was van origineel Nederlandse makelij. Een van de zeer zeldzame uitzonderingen op die regel was Anatevka in 1966 – weliswaar van Amerikaanse afkomst, maar dicht op de Nederlandse huid door de Joodse sjtetl-sfeer en door de hartverwarmende hoofdrol van Lex Goudsmit.

Meer dan één, hooguit twee musicals per jaar werden er in die tijd niet uitgebracht. Annie Schmidt en Jos Brink waren de productiefste auteurs. En ook daarbij deed de cabaretafkomst zich gelden: het was de tekstdichter die een nieuwe musical entameerde. De componist kwam op de tweede plaats; zijn naam stond veelal in kleinere letters op het affiche. Terwijl een musical in de Angelsaksische landen het gezamenlijke werk is van een componist, een schrijver, een producent en een regisseur.

Maar wat zich intussen in het buitenland afspeelde, bleef hier tot diep in de jaren tachtig goeddeels buiten beeld.

Tot het Amsterdamse theater Carré in 1987 honderd jaar bestond en exclusief in eigen huis, ruim drie maanden lang, iets bijzonders wilde presenteren. De keus viel op de internationaal vermaarde zang- en dansmusical Cats, door Andrew Lloyd Webber gebaseerd op de kattengedichten van T.S. Eliot. Een belangrijke attractie was dat die show en ronde kon worden gespeeld, in de piste die voor Carré zo kenmerkend is. Bij het maken van een eigen versie stuitte men echter op eenzelfde probleem als zich 27 jaar eerder voordeed bij My fair lady: er waren in Nederland niet genoeg zingende dansers om aan de strenge Britse eisen te voldoen. Met als gevolg dat de bezetting voor driekwart uit het buitenland moest worden gehaald. Dat droeg niet bij aan de verstaanbaarheid.

De eerste run van Cats trok niettemin zo veel publiek uit het hele land, dat er in 1989 een tweede serie voorstellingen volgde en in 1992 nog een derde. Tijdens die laatste reeks bleek hoeveel er intussen was veranderd: vrijwel alle artiesten die zingend en dansend over de vloer krioelden en de hogere rangen in de zaal beklommen, waren van Nederlandse afkomst. Achteraf vormden zij de eerste generatie musicaltalent van eigen kweek. Er was in die paar jaar heel wat gebeurd.

Theater- en televisieproducent Joop van den Ende had de Carré-onderneming met jaloerse ogen bekeken. Eerder had hij beweerd dat Nederland geen land voor musicals was, maar nu zag hij zijn ongelijk aangetoond. En de opbrengsten van zijn lucratieve tv-activiteiten stelden hem in staat onmiddellijk te reageren. Met zijn eerste, het vrolijke schouwspel Barnum (1988), boekte hij nog geen doorslaand succes. Wellicht was het levensverhaal van de gelijknamige circusbaas te Amerikaans voor de gemiddelde Nederlander. Maar in het jaar daarna bracht hij Cabaret en Sweet Charity uit, waarna het melodramatische Les Misérables in 1991 de doorbraak werd.

Zo bezien is het genre in dit land pas in de laatste twintig jaar uitgegroeid tot de proporties – en het productionele niveau – van nu. Er kwam een inhaaloperatie op gang om Nederlandse versies van het klassieke musicalrepertoire te produceren, terwijl Nederlandse boeken, films en tv-series volgens internationaal procedé werden vermusicald. Dat zorgt voor continue werkgelegenheid waardoor er ook geen tekort meer is aan de vereiste dubbeltalenten. Vroeger ging een voorstelling niet door als Conny Stuart of Willem Nijholt ziek was. Tegenwoordig hebben alle hoofdrolspelers niet alleen een understudy die invalt bij ziekte, maar ook een alternate die de rol volgens schema een of twee avonden per week overneemt.

Een stuk of vijf, zes producenten brengen nu jaarlijks vijftien tot twintig musicals uit.

Dat is veel, te veel misschien. Ze verdringen elkaar in de theaters, in de publiciteit en in het budget van de gemiddelde bezoeker. En natuurlijk zijn ze ook lang niet allemaal even goed. Ze lijken soms te veel gericht op de smaak van een jongerenpubliek en laten nog te weinig zien van de intelligentere varianten die het genre in New York en Londen volwassener hebben gemaakt.

Maar het aanbod wordt wel steeds veelzijdiger. Want zie het nu bijna voorbije seizoen – met hoogtepunten als het lichtvoetige Petticoat, de vooral in visueel-technisch opzicht opzienbarende Soldaat van Oranje en de aan Toon Hermans gewijde biografiemusical Toon, die alle drie naar volstrekt verschillende episoden uit onze vaderlandse geschiedenis verwijzen.

En zie verder de voortreffelijke Nederlandse versies van La Cage aux folles en van de parodiemusicals Spamalot en Urinetown.

Dat is een hoopgevende oogst, naast de producties van veel minder allooi die er ook waren. Zoals het gammele 1953 (over de overstromingsramp in Zeeland) en het evenmin overtuigende Herinnert u zich deze nog? (over de piratentijd van radio Veronica). Of zoiets middelmatigs als de Nederlandse kopieën van Legally blonde en Zorro.

In elk geval hoeft geen enkele recensent nu meer uit te leggen wat een musical is.