De internationale festivals komen er weer aan

de gehangenen / LOD Josse De Pauw & jan Kuijken ---- © Kurt Van der Elst / www.kvde.be
de gehangenen / LOD Josse De Pauw & jan Kuijken ---- © Kurt Van der Elst / www.kvde.be © Kurt Van der Elst

Binnenkort komen de zomerfestivals met opnieuw een overdaad aan buitenlandse programmering. Het Holland Festival, Oerol, Festival aan de Werf, Theaterfestival Boulevard en het International Theatre School Festival, om enkele te noemen. Het Kunstenfestivaldesarts in Brussel is zojuist begonnen. De schouwburgen van Amsterdam en Rotterdam hebben hun eigen internationale programmering.

In de zomermaanden gaat het Nederlandse theater internationaal. Dat is geweldig, vooral voor de toeschouwers. Ooit was de zomer een stille periode, want de gezelschappen vierden zomerreces. In 1947 begon het Holland Festival met als doelstelling de Nederlandse podiumkunsten te verrijken met een internationaal aanbod van toneel, dans en opera.

Bij de opening van Kunstenfestivaldesarts dit weekeinde overviel me ook een lichte bevreemding. Ik bestudeerde de speellijsten van optredens uit Japan, Amerika, Frankrijk, Duitsland, IJsland en Polen. Gemiddeld staat een vertoning twee tot drie keer in Brussel, en is dan weer verdwenen, op weg naar het volgende festival. Een voorstelling wordt ingevlogen en vliegt weer door. De vraag dient zich aan of dat zinvol is. Temeer omdat in de festivalbrochures en wervende folders altijd wordt gesproken over de zo noodzakelijke, wederzijds inspirerende ontmoeting tussen binnenlandse en buitenlandse regisseurs en acteurs.

Dat is een prachtig idealistisch streven, maar ik ben bang dat er in de praktijk weinig van terechtkomt. Zijn theatermakers werkelijk geïnteresseerd in het werk van anderen? De Vlaamse regisseur Guy Cassiers zei al eens dat de vele honderden gezelschappen in Nederland en Vlaanderen, klein en groot, als „evenzovele eilandjes” zijn. Ieder is gericht op het eigen werk, de eigen productie, de eigen artistieke overtuiging. Daar is op zich niets tegen, het verklaart mede de veelzijdigheid van het theaterlandschap. Maar juist bij interesse in de werkzaamheden van andere toneelmakers begint volgens mij de creatieve verrijking.

Maandagavond bracht in de Amsterdamse Stadsschouwburg het vooraanstaande Gentse gezelschap LOD de prachtige, vernieuwende voorstelling De Gehangenen van Josse De Pauw en Jan Kuijken. De zaal was goeddeels vol en, afgezien van een enkele gelukkige uitzondering, waren er te weinig toneelmakers. Elke theatermaker zou de internationale ontwikkelingen moeten volgen en zich daaraan spiegelen om nieuwe wegen in te slaan. De theaterfestivals bieden daartoe alle mogelijkheid, maar helaas wordt er te weinig gebruik van gemaakt. Waar zijn toch onze makers als toeschouwer?

Op deze regel is een gunstige uitzondering. Het International Theatre School Festival in Amsterdam, het ITs Festival, bruist en wervelt telkens weer. De jonge makers bezoeken elkaars voorstellingen, praten erover, ze zijn hongerig naar nieuwe ideeën. Dat hoort bij een internationaal festival. Want de echte festivalsfeer ontstaat waar regisseurs en spelers vanuit alle hoeken en windstreken elkaar ontmoeten, elkaars voorstellingen zien en erover openbaar van gedachten wisselen. Dan ontstaat artistieke opwinding.