Even leek het een revolutie

De Arabische lente hapert. Wat is nodig voor succes?

Ontmanteling van het Arabische politieke systeem vereist bovenal een culturele revolutie.

Protesters chant slogans as they march following an attack by security forces in Tahrir Square, in Cairo, Egypt, Saturday, April 9, 2011. Demonstrators burned cars and barricaded themselves with barbed wire inside a central Cairo square demanding the resignation of the military's head after troops violently dispersed an overnight protest killing one and injuring scores. (AP Photo/Khalil Hamra)
Protesters chant slogans as they march following an attack by security forces in Tahrir Square, in Cairo, Egypt, Saturday, April 9, 2011. Demonstrators burned cars and barricaded themselves with barbed wire inside a central Cairo square demanding the resignation of the military's head after troops violently dispersed an overnight protest killing one and injuring scores. (AP Photo/Khalil Hamra) AP

Begin dit jaar ontsnapte de geest uit de fles. Het beeld is wat verbleekt, maar in de Arabische wereld heeft het nog glans, want het komt uit Duizend-en-een-nacht.

The New York Times probeerde die ‘geest van Tahrir’ (vrijheid – een plein én een droom) te vangen in gesprekken met begeesterden, van Marokko tot de Westelijke Jordaanoever. Ze zijn jong, goed opgeleid, actief in ngo’s en communiceren via sociale media. Ze delen dezelfde grieven: werkloosheid, gebrek aan vooruitzichten, een drukkend politiek en cultureel klimaat, corruptie op grote schaal, willekeurig gebruik van wetten en regels, de onmisbaarheid van connecties, een groeiende kloof tussen arm en rijk, een dalende levensstandaard en een bankroet onderwijssysteem. Kortom: het Arabische leiderschap faalt en jongeren dringen aan op een politieke generatiewisseling.

‘Arabische Lente’ is hun revolte gaan heten. De Praagse Lente, die van 1968, had een programma (‘socialisme met een menselijk gezicht’), een (partij-)organisatie en leiders. Programmatisch komt de Tahrir-generatie niet verder dan ‘vrije verkiezingen’, de organisatie is vooral virtueel en als er al leiders zijn, blijven ze onzichtbaar. Zodra er onderhandeld moet worden met een overgangsbewind, schuiven oude mannen aan: gewezen diplomaten, overgelopen ministers en militairen, Moslimbroeders. Jongeren kunnen zich roeren, maar ze hebben geen gezag.

In Tunis namen politici van dezelfde generatie het stokje over, in Kairo trekt het leger aan de touwtjes en in Jemen staan een islamistische generaal en een ondernemende stamleider klaar om de macht over te nemen. Tot nu toe zijn jongeren alleen stoottroepen in de machtsstrijd van anderen.

Als de Tahrir-generatie zelf het roer wil overnemen, moet ze eerst de staat opnieuw uitvinden. Want de Arabische wereld heeft geen ervaring met democratisch gekozen leiders. In de loop van veertien eeuwen kende die alleen stamoudsten, religieuze voorgangers, koningen en generaals. Oude, voorname en vaak meedogenloze sterke mannen.

Sjeiks en kaliefen

Veertien eeuwen geleden was de ‘Arabische wereld’ veel kleiner dan nu. Het woongebied van de Arabisch sprekende stammen was beperkt tot Al-Jazira (het schiereiland), een woestijngebied dat zich uitstrekte van de Rode Zee tot de Perzische Golf, en van de Indische Oceaan in het zuiden tot de Perzische en Byzantijnse rijksgrenzen in het noorden. Deze op verwantschap gebaseerde samenleving kende geen staat. De shaykh (sjeik, Arabisch voor ‘oude man’, stamoudste) kwam uit een voorname clan en bestuurde in overleg met een majlis (‘plaats waar men zit’, raad van notabelen).

Deze gesloten, tribale wereld werd snel groter door het optreden van Mohammed ibn Abdullah, koopman te Mekka, een nederzetting aan de karavaanroute tussen Jemen en Damascus. Hij gaf de Arabieren hun eigen leer, de islam: monotheïsme met een sterk sociaal ethos.

De nieuwe religie introduceerde voor het eerst een vorm van politieke organisatie die stamverbanden oversteeg: de umma (gemeenschap der gelovigen). Onder de eerste opvolgers (khalifa) van de profeet Mohammed expandeerde de islam in razend tempo. Al-Jazira omhelsde de nieuwe leer en de ruiterij der bedoeïenen raasde als een wervelwind door de woestijngordel van Noord-Afrika en Voor-Azië. Voortaan zou de Arabisch sprekende wereld zich uitstrekken van Rabat tot Basra.

Kalifaat wordt erfelijk

In de eerste decennia van Arabisch-islamitische expansie werden de kaliefen verkozen uit de naaste kring van Mohammed. Maar geleidelijk – naarmate de veroveraars onder Byzantijnse en Perzische invloeden kwamen en de islam verstedelijkte – werd de macht in het nieuwe rijk overerfbaar.

Sudayf bin Maymun, een Arabische dichter uit de achtste eeuw, beklaagde zich over de ontwikkeling van het kalifaat: „Bij God, onze winst, die gedeeld werd, is een fooi geworden voor de rijken. Ons leiderschap, dat zich van overleg bediende, is willekeurig geworden. Onze opvolging, die volgens de keuze van de gemeenschap tot stand kwam, is nu een erfenis.” Regels die geschreven hadden kunnen zijn door een dichter op het Tahrir-plein.

In de loop van de Middeleeuwen viel het islamitische rijk, onder druk van kruistochten, Turkse en Mongoolse invallen en de machtshonger van plaatselijke potentaten, uiteen in een reeks emiraten met eigen dynastieën. Rond 1500 waren de Ottomaanse Turken heer en meester in het Midden-Oosten. De Arabische gebieden van het Ottomaanse rijk gleden weg in een provinciale sluimering. Vier eeuwen lang zou alle macht in de Arabisch sprekende wereld in handen zijn van niet-Arabieren.

Marionettenkoningen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kozen de Turkse nationalisten de kant van de Duitsers. De Britten reageerden daarop met een ongekend succesvolle inlichtingenoperatie: de Arabische opstand, te velde geleid door geheim agent T.E. Lawrence.

Lawrence spiegelde Husein ibn Ali, sherif van Mekka en een nazaat van Mohammed, voor dat hij en zijn zonen na de oorlog zouden heersen over een vrij Arabië. Maar toen de Turken waren verslagen en het Ottomaanse rijk uiteenviel, werden de Arabische provincies veranderd in Britse en Franse mandaten, protectoraten en kolonies. De zonen van Husein werden marionettenkoningen in Transjordanië en Irak. Het Arabische stamland Al-Jazira, waar Britten en Fransen vóór de aardolievondst geen belang in stelden, werd een nieuwe theocratie.

Islam of nationalisme

In de periode dat de Arabische wereld was onderworpen aan Europese machten, werden twee ideologische antwoorden geformuleerd op die vernedering:

de islam als leidraad voor alle aspecten van het sociale en politieke leven en een terugkeer naar het kalifaat; en

(2) een seculier nationalisme met autocratische trekken.

Die twee modellen strijden nog steeds om voorrang in het Midden-Oosten en in al dat geweld is er bar weinig ruimte voor democratische alternatieven.

Clans, imams en legers

In het ‘Arabië’ van vandaag bestaan drie soorten machtsbases en die zijn eeuwenlang niet wezenlijk veranderd. In de eerste plaats het leiderschap van een clan of stam of het lidmaatschap van een koninklijke familie (Hasjemieten, Saoeds, al-Sabah’s, al-Khalifa’s). In de tweede plaats religieus gezag (oelama’s en imams). En in de derde plaats een militaire loopbaan. Die laatste marsroute naar de macht is afgelegd door Gamel Abdul Nasser, Muammar Gaddafi, Anwar Al-Sadat, Hosni Mubarak en Hafez Al-Assad.

Sinds de Arabische landen na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werden, zijn leiders steevast aan de macht gekomen door erfopvolging of een militaire coup. Een loopbaan in een politieke partij, zoals de seculiere Ba’ath (Reveil) Partij in Syrië en Irak, lijkt een vierde route, maar die is lastig te onderscheiden van de andere. Want bijna nergens in de Arabische wereld zijn er buiten de staatspartij onafhankelijke politieke formaties en de staatspartij wordt óf gecontroleerd door (Egypte) óf is verweven met de legertop (Syrië). Partijtoppen zijn vaak familienetwerken. Het bedrijfsleven zou een springplank naar de macht kunnen zijn, maar de strategische sectoren van Arabische economieën zijn in staats(familie-)handen.

Breuk met het verleden

Wil de Tahrir-generatie een gooi kunnen doen naar machtsposities, dan moet eerst dit politieke systeem worden ontmanteld. Dat is niet louter een kwestie van constitutionele hervormingen, maar vereist een culturele revolutie. Ghassan el-Hakim (26), filmregisseur uit het Marokkaanse Rabat, werd als lid van de nieuwe Arabische lichting ondervraagd door The New York Times. Hij is sceptisch: „Historisch gezien hebben Arabieren altijd geleefd in een tribaal systeem. Mensen hebben geen herinneringen aan democratie. Zo besturen wij niet. We hebben altijd een leider nodig, iemand die zegt: doe dit, doe dat. Mensen die zichzelf besturen? Onmogelijk.”