Een onvoorstelbare zee van informatie

De totale informatie op aarde wordt geschat op een zettabit: een 1 met 21 nullen.

James Gleick beschreef de geschiedenis van de informatieoverdracht.

„Als het je lukt, zul je snel met roem overladen worden.” Deze bemoedigende woorden ontving Claude Chappe op 2 maart 1791. Het bericht had de afstand van zijn woonplaats Brûlon ten westen van Parijs naar het 15 kilometer verder gelegen dorpje Parcé afgelegd in de bliksemtijd van 5 minuten, sneller dan iedere koerier. Zijn uitvinding was de telegraaf, of beter gezegd: de optische telegraaf of semafoor. Het uiteindelijke ontwerp zou bestaan uit een keten van seintorens waarmee men via uithangborden gemonteerd op twee palen signalen gaf die met een telescoop vanaf de volgende post konden worden gelezen. Als een van de 98 mogelijke tekens was gekozen, ging het signaal in principe ‘zo snel als het licht’.

Chappe was niet direct succesvol. Zijn eerste proefopstelling in een park in Parijs werd door een argwanende revolutionaire meute afgebrand, maar in 1794 werd de tweehonderd kilometer tussen het Louvre in Parijs en de kerktoren van Lille met behulp van vijftien tussenstations afgelegd in de recordtijd van dertig minuten – de moderne TGV doet er nog steeds twee keer zo lang over. De telegraaf werd direct een groot succes. Uiteindelijk stonden er alleen al in Frankrijk 556 stations die een totale afstand van bijna vijfduizend kilometer overbrugden. Met Chappe zelf liep het minder goed af. In 1805 sprong hij in een waterput naast zijn hoofdkantoor in Parijs, geplaagd door verdenkingen van plagiaat

In 1838 meldde een Amerikaanse schilder en uitvinder zich bij de Franse regering met het plan de optische telegraaf te vervangen door een elektrische variant, waarbij korte en lange stroomstootjes door koperen kabels werden gestuurd. „Wat kunnen we verwachten van een paar onzalige draadjes”, was de reactie. Maar de geschiedenis stond aan de kant van Samuel F.B. Morse.

In 1844 berichtte de eerste elektrische telegraaf in Washington over de verkiezing van een presidentskandidaat in Baltimore. Kranten vroegen zich af of dit het einde van hun bestaan inluidde. Vele vernoemden zich naar de telegraaf om te benadrukken hoe dicht ze op het nieuws zaten. In 1854 richtte admiraal FitzRoy, voormalig kapitein van de HMS Beagle en reisgezel van Darwin, een meteorologische dienst in Londen op en begon via de telegraaf de eerste weersvoorspellingen te verspreiden.

Het 19de-eeuwse publiek had moeite te begrijpen wat het verzenden van een bericht precies betekende. Een moeder meldde zich in Karlsruhe met een bord zuurkool om aan haar zoon te ‘verzenden’. Maar de wereld was ingrijpend veranderd. Vanaf nu zat alles aan elkaar vastgeknoopt. Er werd een nieuw woord voor deze aaneenschakeling bedacht, ‘netwerk’, en er ontstond een nieuwe taal: telegramstijl. Alom klaagde men over de kortademigheid van het moderne leven.

De opkomst en ondergang van de telegraaf is slechts een korte episode uit de lange geschiedenis van de opslag en overdracht van informatie. In een eindeloze reeks van incarnaties, van kleitablet tot papyrusrol, van boek tot telegraaf, van telefoon en fax tot e-mail en het web, heeft informatie ons leven vastgelegd en vormgegeven. In The Information probeert James Gleick die geschiedenis voor het eerst in de volle breedte te vertellen. Hij neemt daarbij een lange aanloop, beginnend bij hiërogliefen, spijkerschrift en het ontstaan van geschreven woorden, die de geest dwingen logisch te denken.

Een belangrijk figuur daarin was Claude Shannon, de Amerikaanse ingenieur die in 1948 de theoretische fundering legde voor de moderne informatietheorie. Met Shannon gaan we diep de abstractie in. Hij beantwoordde de vraag: hoe meten we informatie? In zijn artikel introduceerde hij daarvoor als elementaire eenheid de bit. Een getal van 5 binaire cijfers, zoals 01101, draagt 5 bits informatie. Ieder cijfer is een 0 of een 1. Maar hoe zit dat met woorden van 26 mogelijke letters plus leestekens en een spatie? Niet iedere letter is even waarschijnlijk. Ook al ontbreken enkele letters, u kunt deze zin waarschijnlijk toch gemakkelijk afm*k*n. Shannon wist een formule voor de informatiedichtheid van een tekst te geven voor ieder mogelijk alfabet.

Maar misschien was zijn beeld van hoe allesbepalend informatie in onze tijd zou worden, nog belangrijker. Op een zomerse dag in 1949 maakt Shannon met potlood een kort lijstje op zijn kladblok. Onderaan staat 1 bit, bovenaan honderd biljoen bits. Dat was volgens hem de informatie in de grootste bibliotheek ter wereld: de Library of Congress in Washington. Ergens in het midden schrijft hij de ‘genetische informatie van een mens’.

De totale informatie op aarde wordt nu geschat op een zettabit; een 1 gevolgd door 21 nullen, ruwweg het geheugen van een miljard moderne pc’s. We dobberen op een onvoorstelbare zee van informatie. Jorge Luis Borges schiep het beeld van de bibliotheek van Babel, die ieder boek van 410 pagina’s bevat dat geschreven zou kunnen worden. Maar honderd jaar eerder al bedacht de uitvinder Charles Babbage, die zijn hele leven aan een mechanische computer werkte, dat een almachtig opperwezen ieder geluid dat ooit is gemaakt zou kunnen reconstrueren uit de trillingen van de aardatmosfeer. „De lucht is een enorme bibliotheek!” Na de ontdekking van de fotografie ontstond het visioen van een ‘album van Babel’ waarin elke foto te zien zou zijn.

Wikipedia begint deze Borgesiaanse fantasieën te benaderen. Het overstijgt in omvang, compleetheid en aandacht voor details alle eerdere encyclopedieën. Alle genummerde wegen van de VS, alle enzymen en alle menselijke genen hebben een lemma. Carl Linnaeus classificeerde in de 18de eeuw zo’n 12.000 planten en dieren. Nu zijn er alleen al een spin, een vis en een kwal die de naam van Frank Zappa dragen. Honderdduizenden kevers wachten nog op hun naam.

Het leven zelf zit vol informatie. In al onze cellen zit een drie meter lange DNA-streng geschreven in een alfabet van vier letters. Eiwitten kopiëren en redigeren continu deze ‘tekst’. De modernste inzichten van de fysica over zwarte gaten en de snaartheorie zeggen dat zelfs ruimte, tijd en materie uit pure informatie bestaan. We leven in de film The Matrix.

U leest nu deze letters, in de krant of op een computerscherm. Als een serie nullen en enen zijn ze via e-mail verstuurd vanaf de harde schijf van mijn pc. Maar eerst zijn ze opgekomen in het neurale netwerk van mijn brein, nadat ik Gleicks boek heb gelezen, dat op zijn beurt weer is samengesteld uit een bijna onuitputtelijke stroom van andere boeken en artikelen over bibliotheken, geschriften en codes. En het houdt niet op bij u.

De informatie blijft doorstromen. Misschien leest u het boek van Gleick, of vertelt u een feit of anekdote uit deze boekbespreking aan een ander. Wellicht besteedt u er zelfs een Twitter-bericht aan, het laatste groene lootje aan de informatieboom. Kan de diepe gedachte dat het universum, inclusief onszelf, een gigantische bibliotheek is, gevuld en gevormd door informatie, samengevat worden in de spanne van 140 lettertekens?

Misschien kunnen we troost putten uit de woorden van de schrijfster Margaret Atwood, die tot haar eigen verbazing verliefd is geworden op Twitter: „Is het een telegraafsignaal? Is het Zen-poëzie? Zijn het grapjes geschreven op een toiletdeur? Is het ‘Jan-hartje-Marie’ ingekerfd in een boom? Laten we zeggen dat het communicatie is, en communiceren is iets wat mensen graag doen.”

James Gleick, ‘The Information. History, a Theory, a Flood’. Pantheon, 526 blz. € 30,-