'Peer review'. Klaar ben je

Alle kleine meisjes willen op ballet. Veel jongetjes ook, maar dat zit ze niet glad. Michael Jackson nadoen mag nog net, voor balletles moeten ze een harde kop hebben. Hoe hard? Kijk naar Billy Elliot. Die film vergelijkt de strijd van een elfjarige jongen die wil dansen met de strijd van stakende Britse mijnwerkers, zijn vader voorop. Die vader vindt ballet iets voor mietjes, tot hij per ongeluk zijn kind ziet dansen. Dan gaat hij om. Hij herkent de schoonheid van de dans. Hij erkent het talent van zijn zoon.

Een fractie van de danslustige kinderen schopt het tot een balletcarrière. Dat is zo vreemd niet. Als schilder of dichter kun je tegen de klippen op volhouden dat je wél goed bent. De danskunst ontmaskert zoiets direct. Dans vraagt talent, veel kracht, heel veel doorzettingsvermogen.

Kinderen laten dans toe, voor volwassenen is dat eng. Die vinden dans op een podium onzin. Tot ze toch een keer per ongeluk bij een voorstelling belanden. Vaak gaan ze dan om, net als vader Elliot.

Ik zag het kortgeleden weer gebeuren, bij een voorstelling van Het Nationale Ballet, Hans van Manen – meester van de dans. Volle zaal, een deel van het publiek afwachtend. Enthousiasme kun je horen: in de pauze gonsde het anders dan vooraf. Bij het slot verrees het publiek in een ovatie, niet aarzelend (zullen we ook gaan staan? nou… oké dan…), meteen.

Van Manen zet muziek om in bewegingen. In die bewegingen ontbloeit gevoel, en dat bonkt dan in mijn borstkas en achter mijn ogen. Het laatste stuk was die avond ‘Grosse Fuge’, op de muziek van Beethoven en opgezet rond vier dansers in lange zwarte rokken. Homo’s? Geen idee. Doet dat ertoe? Hun machtsvertoon nuanceert Van Manen met vier danseressen, snel als stekelbaarsjes. Stoer is deze dans. Zogenaamd simpel. Strak maar ondertussen uitgelaten – het handelsmerk van Van Manen. Een verhaaltje kun je vergeten, zijn motto is: dans drukt dans uit, verder niets. Ik hoef verder ook niets. Behalve dit allemaal meteen wéér zien.

Nederland is een onwaarschijnlijk vruchtbare bodem voor grote dansmakers. Hans van Manen is de beroemdste, samen met Jiri Kylian van Het Nederlands Dans Theater. Maar we hebben ook Paul Lightfoot. Krisztina de Châtel. Nanine Linning. Vanuit Groningen overdondert Guy Weizman. Wie dat allemaal zijn? Ga zelf maar kijken. Nu het nog kan. Want ligt het aan de Raad voor Cultuur, dan verschrompelt de Nederlandse dans. Het bezuinigingsvoorstel van die Raad is gebaseerd op de adviezen van tweehonderd deskundigen uit de kunstwereld. Peer review noemen ze dat. Klaar ben je. Ik moet denken aan zo’n soort commissielid. Die zei op de drempel van een theaterzaal: „Wat doe jij híér?” De voorstelling, waar ik naar uitzag, moest nog beginnen, maar deze persoon had het oordeel al klaar. Kon niks wezen, verloren avond, jammer voor me.

Het Nederlands Dans Theater moet van de Raad voor Cultuur zijn wereldfaam afbouwen en zich beperken tot de Haagse regio. Het Nationale Ballet moet op zeker spelen. Met Hans van Manen bijvoorbeeld – zijn faam is gevestigd. Gelukkig maar.

Kenners zijn ook maar menselijk, ze verkeren in beperkte kring en ze hebben zo hun belangen. Dat kan verblinden, leiden tot parti pris. Of tot jaloezie – het valt op dat juist de twee dansgezelschappen met succes zo fors worden aangepakt in dat advies. Of zie ik spoken?

Toen Hans van Manen begon, zaten de zalen lang niet vol, wat hij maakte was erg ongewoon. „Ik deed het voor de mensen die kwamen. De anderen hadden pech gehad”, zei hij later. Wat hij gelijk had. Maar de kans om zo te denken, zal, vrees ik, een ander niet meer beschoren zijn.

Joyce Roodnat