Laten we lunchen

Een zondag kan behoorlijk opknappen van een lunch. Maar vergeet het ideaalbeeld van de Italiaanse familie.

e kwaliteit van restaurants in Portugal neemt enorm af, klaagde een Portugese journaliste. „Als we ’s middags ergens willen lunchen, is het steeds moeilijker om iets behoorlijks te vinden.”

„Oh ja? Bij ons zijn tientallen lunchgelegenheden”, zei ik onnadenkend. Toen pas rea-liseerde ik me dat wat ik ‘lunchgelegenheid’ noem, voor haar een hoogst merkwaardig soort etablissement moet zijn waar je helemaal geen lunch kan krijgen. Lunch in Lissabon, dat is gegrilde sardines en sla, een stokvisschotel en een glas wijn, zoiets, maar niet een stel zeer dikke boterhammen met tonijnsalade ertussen, laat staan een broodje kaas en een glas melk.

Wij lunchen niet.

Als we eens iets feestelijks doen tussen de middag dan worden het twee kroketten met brood of een uitsmijter kaas, misschien een kopje soep. Dat is allemaal heerlijk, maar het heeft niets te maken met wat andere Europeanen tussen de middag doen.

Vroeger gebruikten wij Nederlanders ook de warme maaltijd om twaalf uur. Dat veroorzaakt een andere maaltijddagindeling, dat zie je in zuidelijke landen: klein ontbijten, goed lunchen, laat dineren. Als je weinig luncht (ik las eens in een Franse reisgids over Amsterdam dat de lunch er ‘op de nagel van een duim’ past), ga je vanzelf forser ontbijten en vroeger dineren – of erger: enorm snoepen bij de borrel.

Een misschien niet zo erg oude wijsheid wil dat we ontbijten als een keizer, lunchen als een koning en dineren als een bedelaar. Dat zou gezond voor ons zijn en het klinkt ook logisch: de calorieën innemen als er nog allerlei energie opslorpende werkzaamheden voor de boeg liggen, en tegen dat je gaat slapen weinig meer eten.

Maar ik las laatst dat moderne voedselkundigen dat onzin vonden, zo schreef iemand dat het gewoon ging om de totale calorieëninname en verder niets. Of dat waar is en onomstreden? Het klinkt wel nuchter maar niet helemaal waar. Het past iets te veel in allerlei modern no-nonsensgepraat, waarin alleen uitkomsten, opbrengsten, cijfers en gewerkte uren tellen, en niet: waar, wanneer en hoe. Terwijl ons leven gevoelsmatig toch vooral daarom draait. Waarbij ‘hoe’ misschien wel de hoofdrol speelt.

Een aantrekkelijkheid van lunchen is bijvoorbeeld dat er ook nog zoiets is als ná de lunch. Namelijk de middag en de avond. Nu wil ik niet zeggen dat er geen na-het-diner bestaat, maar als je met vrienden eet, dijt het diner meestal wel degelijk uit tot avondvullende bezigheid en dan moet je dus propvol eten, drank en gesprekken naar bed. Na een lunch kun je bijkomen, wandelen, terugdenken.

De Engelsen hebben de Sunday-lunch. Dat lijkt een mooie instelling. Door de week gewoon die boterhammen, en op zondag een uitvoerige, warme lunch.

Het zou menige zondag behoorlijk op kunnen knappen. Er is niets feestelijkers en uitnodigenders dan in de ochtend de geuren ruiken van een maaltijd die bereid wordt. Altijd als je in de zomer ergens op een zuidelijk terras zit en je ruikt uit een restaurant wat verderop de geur van vlees dat gestoofd wordt in rode wijn, of van sjalotjes in de boter of olijfolie waarin sissende courgettes worden omgeschept, denk je direct: ja, we gaan lunchen!

En thuis is het innig gezellig als er ’s ochtends een oven zachtjes staat te zoemen, als de geur van een heldere bouillon opstijgt en als je zelf ontspannen aan het aanrecht staat en eerst de taart maakt die voor na de hartige lunch op zijn plaats zou zijn.

Laten we even vaststellen: een lunch is geen diner in de middag. Bij een lunch houden we het meestal toch net ietsje lichter, hoezeer de wijsheid van afnemende voedselinname daar ook mee in strijd is. Bij lunch denk je vaak eerder aan koud vlees dan aan warm – vitello tonato of geroosterde koude kip met zelfgemaakte kruidenmayonaise. Je denkt aan groenten – zomerse lunches hebben veel baat bij gegrilde groenten, winterse kunnen enorm opknappen van flespompoen in de oven, bestrooid met gestampte kardemom, jeneverbes, koriander, stukjes limoen en gehakte groene peper. (Dat is de laatste tijd een lievelingsgerechtje, maar ja, de tijd van flespom-poen is nu wel zo’n beetje over. Het wordt tijd voor een nieuw lievelingsgerecht.)

Nu ik onlangs in Denemarken was, waar ze zo enorm in de mogelijkheden van de eigen producten en smaken zijn gaan geloven, ben ik ook wel wat anders over de lunch gaan denken.

Het ideaalbeeld van de lunch was natuurlijk toch min of meer die grote Franse of Italiaanse familie die, bij voorkeur ook nog buiten, heerlijke mediterrane gerechten zat te eten. Sowieso hebben we nu al twintig jaar lang mediterrane gerechten zitten eten. Ook toen de moestuinmode, het eten met de seizoenen en het koopt-uitsluitend-lokaal-geproduceerde-waren opkwamen, bleven we maar Italiaans koken met wat er uit die moestuin en van die lokale boer kwam. Dat is eigenlijk een beetje onzin. In plaats van met alle geweld courgettes in onze moestuin te willen hebben, kunnen we beter wat meer verzinnen met de groenten die hier van oudsher groeien. En dan geen semi-Italiaanse verzinsels met die groenten, maar iets nieuws, iets wat aansluit op onze smaak. De ‘Nordic kitchen’ zoals ze dat in Scandinavië noemen is, als je het niet overdrijft, eigenlijk een heel logisch vervolg op waar de moderne eter zich toch al op richtte. Beperkt vlees en vis, dingen plukken en eten die er zijn of die zich makkelijk in productie laten nemen, proberen de rijkdom te zien van wat we hebben in plaats van vooral te zien wat ze in Italië hebben en wij niet en dat dan met grote vrachtauto’s hiernaartoe laten komen.

Dat hoeft nu ook weer niet al te rigide opgevat te worden dunkt me, een glaasje wijn uit een land met zon smaakt al gauw beter dan wijn uit de Achterhoek en ons eigen bier is aan tafel minder aanbevelenswaardig dan een lekkere Riesling.

We hebben trouwens heel veel. Geweldige kazen – ik snap eigenlijk nooit goed dat de Nederlandse kaas niet wereldberoemd is. Maar dat komt misschien omdat we speciale smakeloze kaas produceren voor de export, de zoute Edammertjes en jonge plastic Gouda. Als je dan nog zegt dat wij die kaas op een wattenbroodje eten met een glas karnemelk erbij en dat we dat lunch noemen, dan snap je wel dat ze in het buitenland de slappe lach krijgen als het over zoiets als ‘de Nederlandse keuken’ gaat. Laat staan over de Nederlandse lunch.

Maar we gaan daar verandering in brengen. We eten heerlijk onze eigen asperges met onze eigen Hollandaise saus bij de lunch en warme jonge prei met mosterddragon-room en toe een taart van onze eigen rabarber uit onze eigen moestuin.

We dekken de tafel op zondagmiddag, we zetten de glazen op tafel en we lunchen. Nordic-Nederlands. Als koningen.