'Ik ben van de inhoud'

Bij een boterham met kaas vertelt Reinildis van Ditzhuyzen over de Oranjes. ‘Bijna niemand durft hun de waarheid te zeggen.’

einildis van Ditzhuyzen drapeert haar citroengele sjaal om haar hals en neemt afscheid van haar leerlingen – twaalf zwarte mannen en vrouwen die hun tassen inpakken en beleefd terugknikken.

„Merci, madame.”

„Merci à vous. Vous retournez à l’Afrique? Bon voyage.”

Ze loopt het zaaltje uit, geeft mij een hand en gaat naar de wc. Wc, zegt ze. Bij een ander zou je er niet op letten, maar bij haar wel, want zij is beroemd om haar etiquetteboeken en daarin schrijft ze over het verschil in beleving tussen de woorden ‘wc’ en ‘toilet’.

Instituut Clingendael in Den Haag. Er is een kantine waar we kunnen lunchen, gratis, want Reinildis van Ditzhuyzen heeft consumptiebonnen. Maar de zon schijnt en de vogeltjes fluiten, dus gaan we naar buiten, naar de theeschenkerij in het park van landgoed Clingendael. Ik vraag wie die twaalf mannen en vrouwen in hun mooie kleren waren en wat ze van haar hebben geleerd.

„Diplomaten”, zegt ze.

„Protocol”, zegt ze.

Ze loopt in straf tempo onder de beuken en linden door en vertelt over Bill Clinton die een keer op bezoek ging bij Gaddafi. Van Gaddafi is bekend dat hij zijn gasten eerst omhelst en dan smakzoenen geeft. „Zo dus hè”, zegt ze. Ze steekt haar tong uit en maakt een slurpend geluid. „Op beide wangen.” Dat wilde Bill Clinton per se voorkomen, dus wat deed hij? Hij gaf Gaddafi een hand en duwde tegelijkertijd zijn andere hand tegen Gaddafi’s rechterschouder.

„Zo slim.”

Vooral ook omdat het er op de foto’s niet amicaal uitzag.

De theeschenkerij is een Hans-en-Grietjehuisje met een rieten dak en roodgeschilderde luiken voor de ramen. IJgenweis heet het, dat dan weer wel. Reinildis van Ditzhuyzen bestelt een glas sinaasappelsap en twee bruine boterhammen met biologische Beemsterkaas. Dit was de eerste keer dat ze op Instituut Clingendael lesgaf, zegt ze. Heerlijk om te doen, vooral omdat het in het Frans is. Ze noemt zichzelf een talengek. Ze spreekt er (naast Nederlands) zeven, vloeiend. „Ja, hoe begint dat. Op het gymnasium leerde ik er drie spreken (Frans, Duits en Engels) en daarna kwamen Fries, Spaans, Italiaans en Zweeds er nog bij.”

Zweeds?

„Dat leerde ik toen ik in Wenen studeerde. Ik ontmoette een Zweed en ik zei: Zweeds, zo mooi, zo zangerig, dat wil ik wel leren. Toen regelde hij Zweedse les voor mij.”

Tuurlijk. Je studeert in Wenen, je ontmoet een Zweed en je gaat Zweeds leren. Ze vertelt het alsof het vanzelfsprekend is. Waarom studeerde ze eigenlijk in Wenen? „Omdat ik Nederland stom vond. Ik was in de contramine en ik wilde gewoon naar het buitenland. Oxford en Cambridge waren te duur, Parijs was te ingewikkeld, Wenen was haalbaar en betaalbaar.” Ze was nog geen twintig. Ze reisde vanuit Wenen door alle landen achter het IJzeren Gordijn. In haar eentje. Begin jaren zeventig.

Klein en frèle is ze. Blond – nu bijgekleurd, toen van nature. Vriendelijk en tegelijkertijd gedecideerd. „Ik geloof dat u zich vergist”, zegt ze als de uitbaatster van IJgenweis een bord met sla en geitenkaas en walnoten voor haar neerzet. „Ja, ja, u vergist zich. U zei nog tegen me dat die Beemsterkaas zo lekker was.”

Opera

Ze studeerde geschiedenis. In Wenen lééfde ze in de geschiedenis. Ze zóóg de cultuur in. Acht avonden per week naar de opera of het toneel, bij wijze van spreken. Dat kon toen nog voor 10 schilling, het equivalent van 75 eurocent, op een staanplaats. Ze ging ook naar de grote bals. „Dat hoorde er gewoon bij”, zegt ze. „Dat doen alle Weners.”

Het onderwerp liefde dringt zich op. Maar daar gaat ze mooi niets over zeggen. In elk geval niets dat in de krant mag. „Nee hoor, dat doen we niet.” Alleen dit: „Ik zat te studeren in de bibliotheek en een vriend vroeg of ik mee ging lunchen. Ik had geen tijd en toen zei hij dat ik niet te veel moest studeren, want dan werd ik te slim en zou ik nooit trouwen.” Wat bedoelt ze daarmee? „Dat dát Wenen was.” Of was het overal zo? Ís het overal zo? „Nou eh...” Ze aarzelt even. Dan, ferm: „Ik heb er in elk geval geen last van gehad.”

Ze is getrouwd geweest. Ze heeft drie kinderen. En het leven lacht haar toe. Zo zegt ze het: „Het leven lacht me toe.” Leuk werk, veel vrienden en met die drie kinderen gaat het goed. Ondertussen kijkt ze kritisch naar de boterhammen met Beemsterkaas die nu voor haar worden neergezet. Ze tilt de plakken kaas een stukje omhoog en veegt de sla eronderuit. „Dat verwacht je niet van mij hè”, zegt ze. „Maar ik vind sla onder mijn kaas niet lekker.”

Of ik er wel aan wil denken dat ze destijds (eind jaren negentig) werd gevráágd om het beroemde etiquetteboek van Amy Groskamp-ten Have te bewerken en te vernieuwen. Het was niet haar idee. Dat ze over de Oranjes ging schrijven (begin jaren negentig) was ook niet haar idee. En ze moet er niet aan denken om zichzelf te reduceren tot Oranjekenner en etiquettekenner. „Zo beperkt.”

Haar nieuwste boek gaat over Arabische omgangsvormen. Twee jaar reisde ze door Syrië en Tunesië en al die andere landen waar het volk nu in opstand is – „Ze roepen democratie en vrijheid omdat het Westen daarmee kennelijk economisch succesvol is geworden, maar ze hebben geen idee” – en binnenkort gaat ze naar Saoedi-Arabië.

Op dát idee werd ze gebracht toen ze in 2009 met Willem-Alexander en Máxima mee was naar Oman. Want zo gaat het bij Reinildis van Ditzhuyzen. De wereld ziet haar wél als Oranjekenner en etiquettekenner, en deze keer was het iemand van het ministerie van Informatie van Oman die haar vroeg of het niets voor haar was: de do’s en don’ts voor westerlingen in het Midden-Oosten.

Nou en of.

Was er soms wat op het gedrag van Willem-Alexander en Máxima aan te merken?

„Nee, ze deden het uitstekend. De meereizende ambtenaren van Economische Zaken waren opgetogen. Na twee jaar vruchteloos onderhandelen kon er opeens dankzij het prinselijk bezoek een overeenkomst worden ondertekend.”

Misschien, zegt ze, misschien was er wat aan te merken op de kleren die Máxima bij haar aankomst droeg. Een strakke witte broek met een jasje. „Dat hoort niet in Oman. Maar ze dacht waarschijnlijk: ik word ontvangen in de haven, laat ik wat sportiefs aantrekken. Toen bleek het een heel officiële ontvangst te zijn.”

Ach ja. Iedereen maakt fouten. Zelf slaat ze ook wel eens de plank mis. Alleen: bij haar is dat niet zo erg. Hooguit lastig. In Oman was ze op pad met een Omaanse man, een dichter. Het was voor haar boek. Hij leidde haar rond in een fort, zij ging even zitten, hij kwam naast haar zitten en legde zijn hand op haar dij. „Een vrouw die alleen reist, dat kan in die landen maar één ding betekenen, anders had ze wel iemand bij zich gehad om haar te beschermen.”

En toen?

„Ik dacht: o. Ja, dat dacht ik. O. Ik kon die hand niet wegduwen, want dan zou ik hem schofferen. Hij deed ook maar wat in zijn cultuur gebruikelijk is. Dus ik reikte naar mijn tas, deed alsof ik er niet goed bij kon, waardoor ik wel op moest staan. En toen ben ik niet meer gaan zitten.”

Dit jaar werd Reinildis van Ditzhuyzen gevraagd om de teksten te maken bij de tentoonstelling van Máxima’s jurken in Paleis Het Loo. Máxima wordt volgende week veertig en ze is nu tien jaar in Nederland – vandaar. „Ik zei: jee, tien jaar Máxima in twintig dure jurken, nogal riskant. En ik zei: dan hoef ik toch niet over Valentino of over crêpe de Chine te schrijven, want daar heb ik geen verstand van.”

Dat zou je niet zeggen als je haar ziet zitten in haar strakgesneden zachtbruine broekpak en haar citroengele shirtje. „Armani”, zegt ze. „Tweedehands.” En dat gouden luipaardje-met-diamantjes op haar revers? „Nep.” Bescheiden lachje. En nee, bedankt, ze hoeft niets meer te eten of te drinken. Ze heeft genoeg gehad.

Ze pakte het als volgt aan. Ze noteerde eerst alle waarden die de monarchie vertegenwoordigt. Eenheid. Continuïteit. Stabiliteit. Ehm... Verbondenheid. Traditie. Aanmoediging. Ehm... Voorbeeld. Sprookje. Symbool. Over die waarden schreef ze teksten en daar zocht ze vervolgens de gelegenheden bij waar die waarden getoond werden. Bijvoorbeeld Prinsjesdag: stabiliteit, traditie, symbool, stijl. „Op deze dag, feest van de Staat, wordt de stabiliteit van het staatsbestel getoond en symboliseert de koningin als staatshoofd het staatsgezag.”

Of aanmoediging: de opening van de Arnhem Mode Biënnale. Máxima droeg toen het stoere postzakkenbroekpak van Jan Taminiau.

Aanmoediging voor wie?

„In dit geval de cultuur in het algemeen. Prins Willem I deed dat in 1574 al met het stichten van de Leidse universiteit. Willem V huurde Mozart in voor het componeren en spelen van de muziek toen hij werd ingehuldigd.”

Omdat ze dus géén verstand van kleren heeft, heeft ze ook géén mening over hoe Máxima eruitziet. „Dat vind ik nou altijd zo’n stomme vraag. Hoe vindt u dat ze eruitziet? Jee, wat weet ik daar nou van. Ik ben van de inhoud. Kleding moet passend zijn bij de gelegenheid en daar gaat het om.”

Máxima, zegt ze, weet in uiterlijk en gedrag een evenwicht te vinden tussen wat koningin Beatrix de dignitas (waardigheid) en de humanitas (menselijkheid) van de monarchie noemt.

Is het haar opgevallen dat Máxima het afgelopen jaar slanker is geworden?

„O ja?”

Nee dus.

Dan maar door over de inhoud. Denkt ze dat Máxima een goede koningin zal zijn?

Ze perst haar lippen op elkaar en kijkt naar de lucht. Die heeft ze ook te vaak gehoord. Maar ze blijft vriendelijk, heel vriendelijk. De uitbaatster van IJgenweis denkt dat we oude vriendinnen zijn die een middagje in de zon zitten bij te praten – „U heeft het gezellig, hè?”

Reinildis van Ditzhuyzen lacht vrolijk.

Goede koningin?

Ja. Een goede koningin-gemalin dan, „want dat is wat ze wordt”. Ze vindt de Oranjes sowieso goed in hun werk. Niet dat zij zo’n monarchist is. Maar ze zijn er en we hebben er wat aan. Ze houden de boel bij elkaar. En dat ze hun werk goed doen, vindt ze een hele kunst, al is het maar omdat ze nauwelijks gecorrigeerd worden. „Mensen vallen voor hen in katzwijm.” Ze trekt een grimas, alsof ze lacht. „Bijna niemand durft ze de waarheid te zeggen.”

Zelf gaat Reinildis van Ditzhuyzen elke avond bij zichzelf te rade. Wat heb ik vandaag verkeerd gedaan? Wat had ik beter niet kunnen zeggen? Een mens moet zichzelf blijven verbeteren, vindt ze.

Ik vraag of het klopt dat ze tot voor kort geen mobiele telefoon had.

„Ja hoor”, zegt ze. „Niks ideologisch, gewoon praktisch. Zolang het me lukte om het zonder te doen, deed ik het zonder. Een mobiele telefoon maakt een mens minder vrij.”

Ze heeft ook geen afwasmachine, geen wasdroger, geen auto. Allemaal ballast. „Als ik een auto cadeau zou krijgen, zou ik zeggen: laat maar.”

Ze heeft een Gazellefiets en daarop fietst ze met me mee naar het station, dan weet ze zeker dat ik niet verkeerd rijd. Onderweg komen we langs patisserie Jarreau, in de Van Hoytemastraat. „Daar koopt de koningin wel eens lekkernijen”, zegt ze. Vijftien minuten lopen vanaf Huis ten Bosch. Maar Reinildis van Ditzhuyzen denkt niet dat Beatrix dat mag van haar beveiligers – vijftien minuten alleen buiten lopen.

Op pagina 16 en 17 vier outfits van Máxima uit de tentoonstelling in Paleis Het Loo.