Een spijkerbroekensprookje

Jeansbedrijf Kuyichi verkoopt sinds tien jaar ‘biologische spijkerbroeken’. Hulporganisaties als Solidaridad, ICCO en Cordaid stopten er miljoenen in. Maar een spijkerbroek is geen banaan.

18-04-2011, Haarlem. Spijkerbroekenmerk Kuyichi. Foto Bas Czerwinski
18-04-2011, Haarlem. Spijkerbroekenmerk Kuyichi. Foto Bas Czerwinski

In een zonovergoten vallei ten zuiden van Lima besluiten Peruaanse boeren in 1998 hun planten met minder pesticide en water te telen. Een Nederlandse stichting belooft afnemers voor dat biologisch katoen te vinden in Europa. Omdat dat niet lukt, richt de stichting zelf een kledingbedrijf op en maakt de Peruaanse boeren mede-eigenaar. Nu, tien jaar later, zijn spijkerbroeken van het jeansbedrijf met een miljoenenomzet te koop in winkels in Europa.

Dit is het verhaal dat jeansbedrijf Kuyichi graag aan klanten en investeerders vertelt. Het adverteert sinds de oprichting in 2001 met een betere wereld (our aim [is] to stimulate durable economies in third world countries, such as Peru), een schonere wereld (using close to 100% sustainable materials!) en een duurzame wereld (put together in a chain of fair trade). Maar het bedrijf kan niet alle ambities waarmaken. Acht op de tien kledingstukken die het bedrijf maakt, zijn spijkerbroeken. Daaraan is de eerste jaren niets biologisch. De mooie, lange vezels uit Peru waren niet geschikt voor denim en zijn er nooit voor gebruikt. Spijkerbroeken worden nog altijd gemaakt in fabrieken die niet kunnen aantonen goed voor hun werknemers te zorgen. Directeuren blijven elkaar opvolgen. Met de omzet stegen de laatste jaren de miljoenenverliezen.

Na tien jaar weet iemand die een spijkerbroek van Kuyichi koopt, nog altijd niet zeker of die honderd procent duurzaam is. Kan een spijkerbroek eigenlijk wel duurzaam én winstgevend én mooi zijn? Wat is over van de idealen waarmee Kuyichi de wereld wilde veroveren? En waarom blijven charitatieve stichtingen tien jaar lang miljoenen in het verliesgevende bedrijf stoppen?

Peruaanse god

Nico Roozen is de directeur van ontwikkelingsorganisatie Solidaridad die zich sinds de jaren zeventig inzet voor armoedebestrijding. Hij wil de katoenboeren in Peru steunen. Roozen had de koffie van Max Havelaar en de bananen van Oké bedacht – producten die voor iets meer geld duurzaam en milieuvriendelijk kunnen worden geteeld. Eind jaren negentig waren de spijkerbroeken aan de beurt.

Hij voerde gesprekken met Diesel, G-Star, H&M en C&A over de afzet van het biologisch katoen, tevergeefs. Hij zou de Peruaanse boeren helpen door dan maar zelf een bedrijf op te richten om het katoen te verwerken tot spijkerbroeken, vertelt Roozen in zijn kantoor in Utrecht. Merkspijkerbroeken moeten het worden. Die leveren de meeste winst op, had hij van de gesprekken met de kledingbedrijven geleerd. Roozen: „De kostprijs is eenderde van de winkelprijs. De hogere kosten voor biologisch katoen en betere werkomstandigheden zouden we terugverdienen door zo min mogelijk geld te besteden aan marketing.” De jeans liggen voor tussen de 100 tot 120 euro bij De Bijenkorf.

Hij noemde het jeansbedrijf naar een Peruaanse god en vond een pand op een industrieterrein in Haarlem.

De oprichter en bedenker wordt ook aandeelhouder van het jeansbedrijf. Hij beheerde jarenlang de aandelen van de katoenboeren. Hij is directeur van de financiële holding. En hij is voorzitter van de organisatie die bijhoudt hoe duurzaam een bedrijf als Kuyichi opereert, Made-By.

Met duurzame spijkerbroeken en afzet voor Peruaanse katoenboeren in het vooruitzicht, vindt Roozen idealistische financiers bereid te investeren. Zo stopte hulporganisatie Cordaid de afgelopen jaren 659.000 euro in het bedrijf. De interkerkelijke stichting ICCO 500.000 euro en stond ook garant voor een lening van nog eens dat bedrag. Roozens stichting Solidaridad investeerde 3 miljoen euro in het jeansbedrijf.

Het startkapitaal stort de stichting van Roozen deels op de privérekening van de eerste directeur, die van een Zwitsers jeansbedrijf komt. Het blijkt een valse start. Na tien maanden, in de herfst van 2001, pakt de directeur zijn koffers en vliegt naar Australië. Hij neemt 640.000 euro mee. De verkoop van jeans in de winkels moet worden uitgesteld. De enige twee ontwerpers worden in 2004 door Diesel weggekocht.

Vliegtickets

Langzaamaan groeit het besef dat een spijkerbroek geen koffie is, of banaan. Een banaan laat je milieuvriendelijk telen door een boer die je er goed voor betaalt en klaar ben je. Katoen moet worden geteeld en ontpit, gesponnen en geweven, de stoffen worden ingekleurd, bewerkt en tot jeans genaaid. Dat doen afzonderlijke bedrijven. Om te kunnen beweren dat een spijkerbroek duurzaam is, dienen die bedrijven eigenlijk allemaal milieuvriendelijk én sociaal te werken. Je moet langdurige relaties met ze onderhouden terwijl de mode, de prints en de daarvoor benodigde technieken snel wijzigen. „Peru was goed in naaien, maar niet goed in prints voor de T-shirts”, zegt Roozen. Het biologisch katoen voor de T-shirts en vesten kwam volgens hem wel deels uit de zonovergoten vallei, tot en met 2006.

Een duurzame spijkerbroek, zeggen kenners, moet op zijn minst van organisch katoen zijn gemaakt en in elkaar zijn genaaid door werknemers die goed worden behandeld. Dat zijn de enige twee zaken die je kan controleren. Daar zijn certificaten voor. Het is ook wat Made-By van bedrijven registreert.

Daarbij is het meegenomen, zeggen die kenners, als op het hoofdkantoor een duurzaam beleid wordt gevoerd. Dat een directeur niet, zeg, honderd vliegtickets per jaar verbruikt. Duurzaamheid gaat ook over scholing van werknemers, realistische levertijden, en de hoeveelheid nikkel in knopen en ritsen.

Eigenlijk is een spijkerbroek per definitie niet heel duurzaam. Om er een te maken zijn meer chemicaliën en water nodig dan bij een pantalon, een sok, een overhemd of een vest.

Kuyichi vindt in 2001 een fabriek ten zuiden van Tunis bereid om de ongeveer tienduizend spijkerbroeken per jaar in productie te nemen. Deze fabriek kan niet aantonen goed voor zijn werknemers te zorgen. Tot 2006 zijn alle spijkerbroeken van Kuyichi hier in elkaar gezet.

Geen van de spijkerbroeken is er ooit van biologisch katoen gemaakt, vertelt de Nederlandse eigenaar van de fabriek, Wim Strik. Hij vertelt dat biologische jeans in die tijd nog nauwelijks bestonden. De stoffen voor de jeans kwamen niet uit Peru, maar „uit Italië en Griekenland”. Strik: „Er is mij niet bekend dat de stoffen van biologisch katoen waren. Ik had het geweten als dat wel zo was.”

Hij vergeet dat de eerste paar spijkerbroeken met biologisch katoen van Kuyichi wel nog in zijn fabriek zijn gemaakt. Het katoen komt uit Oeganda, wordt ingekocht in Nederland, gesponnen in Spanje, tot doeken geweven in Marokko en verwerkt in de Tunesische fabriek. Het resulteert in twee typen spijkerbroeken voor de zomercollectie van 2005.

Eigenaar Strik belooft Kuyichi zijn bedrijfsvoering aan te passen en de fabriek klaar te maken voor de noodzakelijke certificering voor goede arbeidsvoorwaarden. De commissie die dat kwam controleren was er volgens hem in 2005 binnen vijf minuten uit: dat certificaat kreeg hij niet. Zijn werknemers zouden niet alle overuren betaald krijgen, zijn administratie was niet transparant. Strik ontkent dat er iets mis was. Hoe zou hij anders zo lang kunnen bestaan? Er is nauwelijks personeelsverloop, zegt hij.

Kuyichi besloot in 2006 de jeans te laten maken in een fabriek vijf minuten verderop in Tunesië, bij Fashion Company Sahel. Maar ook dat bedrijf weet tot vandaag geen certificaat te bemachtigen voor goede arbeidsomstandigheden. Er komen nog altijd spijkerbroeken van Kuyichi vandaan.

Nico Roozen relativeert de waarde van certificaten. Is een werknemer van een gecertificeerd naaiatelier in China beter af dan een van een niet-gecertificeerd naaiatelier in Tunesië? Roozen denkt van niet. „Als we alleen met gecertificeerde bedrijven mogen werken, kunnen we nergens terecht”, zegt hij. „Je kunt daar een dogmatisch en schematisch debat over voeren, maar het zegt niet alles, zo'n certificaat. Het ligt complexer.”

Saab BioPower

Na de valse start door bedrijfsfraude van de eerste directeur vindt Roozen in 2003 een nieuwe directeur en een nieuwe aandeelhouder. Leden van de welgestelde familie De Rijcke zijn bereid in het jeansbedrijf te investeren. De familie verdiende een fortuin aan de verkoop van drogisterijketen Kruidvat en bezet nu nummer 5 in de Quotelijst van rijken. De bestaande aandeelhouders zien hun aandelen verwateren en leggen een ton extra in. Leningen worden achtergesteld. Tony Tonnaer komt van Pepe Jeans. Hij rijdt een Saab BioPower van de zaak. „Er moest een hoop gebeuren”, herinnert hij zich. Hij moest het jeansbedrijf reorganiseren om de kosten te verlagen, hij moest het laten groeien, een exportstrategie ontwikkelen en, vooral, die duurzaamheid.

Organische jeansstoffen bestonden bij zijn aantreden nog niet, zegt Tonnaer. Hij moet ze laten ontwikkelen. De indigoblauwe, verticale draden van de jeans die biologisch genoemd worden, blijven die eerste jaren van conventioneel katoen. Organisch is wel het witte garen dat er in de breedte doorheen wordt geslagen. De jeans zijn daarmee voor 40 procent van organisch katoen, zegt Tonnaer. „Op de labels zetten we niet ‘Gemaakt van biologisch katoen’, maar ‘Gemaakt mét biologisch katoen’. We wilden er naar streven consumenten bewust te maken. We hadden een voortrekkersrol.”

Terwijl de spijkerbroeken niet of nauwelijks van biologisch katoen zijn, het katoen niet uit Peru komt en de leveranciers niet aan de eisen voldoen, blijven aandeelhouders geld in het verlieslatende bedrijf storten. Geld dat deels bestemd is voor de Coöperatie van Kuyichi Producenten, waarin de Peruaanse boeren en andere producenten zich verenigden. De 659.000 euro van Cordaid gingen in die aandelen. ICCO gaf een lening van 100.000 euro „ten behoeve van het toekomstige aandelenkapitaal van de katoenboeren”.

Willemijn Lammers van ICCO legt uit dat het alle fair trade-bedrijven tijd kost om voldoende omzet en werkkapitaal te krijgen. De katoenprijs zat tegen, de jeansmarkt is niet makkelijk. De coöperatie van producenten kwam nauwelijks van de grond, beaamt Lammers. Maar, zegt ze, de redenering was ook indirect: als het goed zou gaan met het jeansbedrijf in Haarlem, zou dat goed zijn voor katoenboeren wereldwijd.

Critici zeggen dat het jeansbedrijf door de jaarlijkse investeringen niet tot prestaties werd gedwongen. De verliezen stegen van 1,5 miljoen euro in 2008, naar 3,6 miljoen in 2009. In 2010 maakt het bedrijf 5,5 miljoen euro verlies, bij een omzet van nog geen 10 miljoen. Directeur Tony Tonnaer vertrekt.

Weer een nieuwe directeur

Opnieuw moet Roozen op zoek naar geld en een directeur. En weer gaat het mis. De directeur die Tonnaer opvolgt, moet binnen een jaar vertrekken. Op de jaarvergadering van april 2010 vraagt hij de aandeelhouders om 13 miljoen euro. Dat is meer dan ze tot dan toe gezamenlijk investeerden. Grootaandeelhouder High Tide van de familie De Rijcke vindt het genoeg geweest en wil alleen door als er een nieuwe investeerder en een nieuwe directeur komen.

Nico Roozen vertelt op zijn kantoor in Utrecht dat de onderneming tot dan toe is geleid door directeuren die capabel zijn, maar die niet over de ervaring, het ondernemerschap, de kennis en het netwerk beschikken van: Leo Cantagalli.

Cantagalli is dan nog agent voor Kuyichi in Frankrijk. Hij belooft het bedrijf in drie jaar winstgevend te maken door, net als bij zijn vorige werkgever Mexx, winkels van het eigen merk uit te rollen en door meer te besteden aan marketing. Hij zal de omzet in vijf jaar vertienvoudigen tot 100 miljoen euro. Eind 2011 is er een omzet van 24 miljoen bij een verlies van een half miljoen, belooft hij. Break even in 2012. Winst in 2013. Met dat vooruitzicht investeert High Tide nog eens 5 miljoen euro, een particuliere investeerder 4 miljoen.

Leo Cantagalli zit op het kantoor van het industrieterrein in Haarlem. Hij is 56 jaar.Hij was zes toen zijn vader, een kleermaker uit Bologna, besloot werk te vinden in Amsterdam.

Kuyichi betaalt deze directeur 12.000 euro per maand, vergoedt zijn verblijfskosten in Nederland en laat hem twee keer per week business class tussen Schiphol en zijn huis in Parijs vliegen. Net als de productdirecteur die hij meenam van Mexx. Zij woont ook in Parijs en vliegt met hem mee. Dan onderbreekt een secretaresse in een hoek van het kantoor het gesprek. Kuyichi compenseert alle CO2-uitstoot van vliegreizen van werknemers, zegt ze.

De directeuren zeggen dat ze een bedrijf aantroffen dat niet professioneel was. Dat bijna nooit vergaderde. Dat genoegen nam met een beetje duurzaam, als het toevallig zo uitkwam. Het moest zakelijker. En duurzamer. Productdirecteur Nur Basaran verhuisde een groot deel van de jeansproductie van Tunesië naar een gecertificeerde fabriek in Turkije. Ze weet dan nog niet dat de Turkse fabrikant de productie van de spijkerbroeken bij drukte uitbesteedt aan niet-gecertificeerde naaiateliers. De spijkerbroeken uit de lente- en zomercollectie van Kuyichi die nu in de winkels liggen, zijn in die naaiateliers gemaakt. Roozen laat in een reactie weten dat de fabriek vooraf gegarandeerd heeft dat eventuele „subcontractors ook gecertificeerd zijn” en dat er „geen aanwijzing is van het tegendeel”.

Volgens Made-By is niet na te gaan hoeveel jeans Kuyichi de afgelopen jaren van biologisch katoen heeft gemaakt. Wel van de totale collectie: 69 procent is in 2009 van biologisch katoen of katoen die op weg is biologisch te worden – in conversie. Dat bestaat ook nog; het is katoen dat wordt verbouwd tijdens de drie jaar die vervuilde grond waarop het wordt geteeld nodig heeft om schoon te worden.

Cantagalli heeft zijn omzetbelofte voor 2011 al moeten bijstellen, van 24 tot 21 miljoen. Het verlies zal dit jaar niet uitkomen op een half maar een heel miljoen, zegt hij. Binnenkort worden zijn resultaten op de aandeelhoudersvergadering besproken. Aandeelhouder Willemijn Lammers van ICCO: „Ik denk dat het met dit management de laatste kans is voor Kuyichi. We hebben vaker geloofd dat het bedrijf even over een hobbel heen moest en dan zou het wel goed gaan. Als Kuyichi nu geen gezonde doorstart kan maken, moeten wij ons gaan beraden op onze positie als aandeelhouder.”

Boeren

En de Peruaanse boeren? Het aandeel van de coöperatie van producenten verminderde van 33 procent bij de oprichting naar 4 procent nu. Hun katoen gaat al sinds 2006 niet meer naar Kuyichi. Roozen zegt dat de boeren het moeilijk hebben gehad maar dat ze wel nog bestáán, in tegenstelling tot de conventionele katoenboeren in het gebied. En dat zijn stichting hun heeft geholpen te overleven.

De Peruaanse voorman Luis Gonzalo la Cruz Alvarez laat telefonisch weten dat het initiatief van 1998 de boeren en producenten in zijn land in elk geval enthousiast heeft gemaakt voor biologisch katoen. Ze produceren nu voor de Amerikaanse markt. Hij is in gesprek met Tommy Hilfiger, zegt hij. „Nu dat proces is aangeslingerd, is Kuyichi minder belangrijk geworden.”