Convenanten genoeg, allemaal zonder effect

Nederland loopt bepaald niet voorop om kinderen tegen dikmakend gemaksvoedsel te beschermen. Nee, dan Frankrijk.

Het Nederlandse kind krijgt op school niet te maken met promotieacties die tot overmatig gebruik van lekkernijen aanzetten. En in tv-reclames gericht op kinderen, zal nooit een kinderidool iets lekkers aanprijzen. Dat staat in de reclamecode voor voedingsmiddelen van de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI).

Het is de vraag of deze code iets bijdraagt aan de strijd tegen overgewicht bij kinderen. Dat is wel de bedoeling van het Convenant Gezond Gewicht, ook ondertekend door de FNLI. Overheid en industrie willen er een trendbreuk mee bereiken: in 2015 moet het aantal kinderen met overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht) gaan afnemen.

Hoe problematisch die ‘herenakkoorden’ zijn, blijkt uit de kleine lettertjes. De FNLI doet namelijk niet mee aan de helft van de deelconvenanten, waarin de meeste concrete maatregelen staan. Daardoor blijft promotie van frisdranken en candybars voor de schoolpoort mogelijk.

Nederlandse kinderen zijn al minstens vijf jaar omgeven door convenanten en gedragscodes die ervoor moeten zorgen dat ze niet dikker worden. Maar een zichtbaar effect op de buikomvang van de Nederlandse jeugd heeft dat nog niet gehad.

In hun boek Tegenwicht laten Jaap Seidell en Jutta Halberstadt scherp zien wat de Nederlandse overheid nalaat. In veel landen is voedingsreclame voor kinderen verboden, schrijven ze, maar hier beperkt de Nota Overgewicht (2009) zich tot een voedingsmiddelenindustrie die kinderen onder twaalf jaar zo min mogelijk blootstelt aan reclame. Door zelfregulatie. De industrie zelf heeft beloofd de reclame niet te richten op kinderen jonger dan zeven jaar.

De overheid roept de industrie op ‘terughoudend’ te zijn met reclame voor ongezond voedsel. En de Tweede Kamer riep scholen op meer aan gezonde voeding te doen. „In sommige andere landen zijn de gezonde schoolkantines verplicht”, constateren Seidell en Halberstadt.

Het is de angst voor de betuttelende overheid. En het is mode om de verantwoordelijkheid voor behoud van gezondheid bij de mensen zelf te leggen. De supermarkten (verenigd in het CBL) stellen in hun gedragscode dat „de verantwoordelijkheid voor overgewicht bij de consument zelf ligt”. En het Convenant Gezond Gewicht: „een gezond gewicht [is] primair een verantwoordelijkheid van het individu, maar tegelijkertijd [is er] ook een belangrijk maatschappelijk belang”. Met andere woorden: de ‘maatschappij’ heeft graag dat je slank en fit bent, want dat spaart ziektekosten en levert loonbelasting op, maar je moet er zelf voor zorgen.

Bij volwassenen is er geen aanpak die bewezen werkt. Voor kinderen is die er wel: EPODE. Het is de afkorting van Ensemble, Prévenons l'Obesité Des Enfants. Ofwel: laten we samen overgewicht bij kinderen voorkomen. Hierbij gaat het niet om suiker, vet of eiwit. Het gaat om verandering van omgeving en gedrag. Het gaat om speelveldjes vlakbij huis, sportvelden en fietspaden. Het gaat er ook om dat ouders, onderwijzers, winkeliers, cateraars, sportclubs, artsen en gemeentebestuur samenwerken.

Natuurlijk: het doel is dat nutteloze calorieën verdwijnen. Frisdrank, vruchtensap, vette zuivel, frituurproducten, candybars, ijsjes, ze zitten vol met lege calorieën. Doel is ook dat kinderen vanzelf meer buiten spelen. Door speelveldjes voor de deur aan te leggen, waar nu auto’s geparkeerd staan.

In Noord-Frankrijk, waar EPODE begon, mogen dorpen en steden alleen meedoen als burgemeester en wethouders erachter staan. Zo niet, dan niet. Frankrijk heeft een gekozen burgemeester, dus hij moet zijn bevolking niet tegen de haren instrijken. Niet te veel betuttelen, niet te veel verbieden. Het is geen programma tegen dikke kinderen, maar een programma voor gezond leven. Dat lukt heel aardig.