150 cm lang, 14 jaar jong en 81 kilo. Hoezo ziek?

Steeds jonger, steeds zwaarder – overgewicht bij kinderen neemt toe. Veel tieners zien het probleem niet. In de praktijk van dokter Hans Budde. „Je zou kunnen gaan fietsen.”

Het is een nare boodschap die ik moet brengen, zegt dokter Hans Budde tegen het 18-jarige meisje tegenover hem. Zij zal ook insuline moeten gaan spuiten, net als haar zusje van 14, vertelt hij haar. Hij kijkt zo serieus mogelijk.

„Nee hoor, spuiten doe ik niet”, zegt het meisje beslist.

„Ja, dat is rot om te horen, hè”, zegt de dokter. „Dames, we hebben echt een probleem.”

Dokter Budde oogt vriendelijk. En dat is hij ook. Maar hij is ook duidelijk. Tegen de kinderen en tegen hun ouders. Want overgewicht bij kinderen aanpakken is al zo lastig. Als de kinderen en de ouders niet doordrongen zijn van de ernst, is er geen beginnen aan.

Het 18-jarige meisje weegt 95 kilo, bij een lengte van 154 centimeter. Haar zusje weegt 81 kilo. Zij is 1 meter 50 lang. Beiden hebben lange zwarte haren en rinkelende sieraden. Ze hebben klinkende namen, als de zomerzon. Het zijn mooie meisjes. Ze hebben geen enkel ziektebesef, zal de dokter later zeggen.

Dokter Budde is kinderarts in het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam. Veel van zijn patiënten zijn obees, ze hebben extreem overgewicht.

De moeder van de meisjes en haar vriend zijn er ook. „Is er geen tabletje dat kan helpen, dokter”, vraagt moeder. „Dat stadium zijn we helaas voorbij”, zegt Budde. „Vertelt u eens, wat doet u om het gewicht van de dochters naar beneden te krijgen?” Moeder wil wat gaan zeggen, ze stokt en begint dan te snikken. De meisjes kijken haar verschikt aan. „Je hoeft niet te huilen, mam”, zegt de jongste. „Ik snap het wel”, zegt Budde. „Ik heb gewoon slecht nieuws. Ik zeg: Het gaat zo niet goed.”

„Ik ga niet aan de insuline”, zegt het oudste meisje opnieuw.

Rot hè, zegt de dokter.

„Wat kan er gebeuren als je geen insuline spuit als dat wel nodig is”, vraagt hij het jongste meisje.

Ze denkt even na. „Je kunt een hyper krijgen”, zegt ze dan.

„Ja”, zegt Budde. „En je kunt ook veel problemen krijgen als je ouder wordt. Dat willen we voorkomen.” Jullie worden te zwaar, zegt hij. Dat is niet jullie schuld. Maar ik wil graag weten wat jullie kunnen doen om niet zwaarder te worden.

„Sporten”, oppert het oudste zusje.

„Goed plan”, vindt de dokter.

„Kunt u wat voor me regelen, dokter?”

Nee, zegt de dokter. „Dat moet je zelf doen. Jij weet zelf veel beter wat je leuk vindt.”

Hoe ga jij naar school, vraagt hij aan het jongste meisje. Ze gaat meestal met de metro. „Je zou kunnen gaan fietsen. Dat hou je ook makkelijker vol dan twee keer in de week sport.” Ze knikt weinig enthousiast.

Ik heb een voorstel, zegt hij. „Jullie maken een plan. Jullie bedenken samen hoe jullie anders kunnen gaan eten en meer bewegen. Dan komen jullie bij mij terug en bespreken we het plan.” Hij kijkt de meisjes, hun moeder en haar vriend om beurten aan. Ze zwijgen. „Hoe lang hebben jullie nodig om een plan te maken?”

„Een maand?”, stelt het jongste meisje voor. „Nee, dat duurt te lang”, zegt de dokter. „We moeten snel aan de slag. Laten we zeggen, we maken een afspraak over twee weken. Streng ben ik, hè”, voegt hij er nog aan toe en hij lacht.

Deze meisjes hebben ouderdomsdiabetes, zegt hij als ze zijn vertrokken. Hij ziet het steeds vaker, bij steeds jongere kinderen. 15 procent van de kinderen is te dik. Het geeft lichamelijke klachten, maar ook psychosociale problemen: ze worden vaker gepest.

Het is heel belangrijk om het overgewicht aan te pakken, maar erg lastig. En hij begrijpt het goed. Er is zoveel verleiding en de porties worden steeds groter. Dat kinderen dik worden, is niet gek. Ze moeten dus hun best doen om slank te blijven.

Voordat ze dat doen, moet Budde hen overtuigen dat ze een probleem hebben. Vooral bij tieners is dat moeilijk, zegt hij. „Die hebben nogal een kortetermijnvisie. Het lukt sowieso alleen als het hele gezin meedoet.”

Doet het hele gezin mee, dan heeft het Slotervaartziekenhuis een team beschikbaar om het overgewicht aan te pakken. Dokter Budde zit daarin als kinderarts. Er is een diëtiste, een psycholoog, een gezinstherapeut en een nurse practitioner, een verpleegkundige die zich gespecialiseerd heeft in kinderen met overgewicht. Gezinnen kunnen individueel hulp krijgen of in een groep, zodat ze steun hebben aan elkaar.

Er zijn ook huisbezoeken mogelijk. De mensen die de thuisbezoeken afleggen, draaien een dag met een gezin mee waarvan ten minste een kind en een volwassene zwaar overgewicht moeten hebben. Ze kijken mee in de keuken en adviseren hoe het gezonder kan.

Niet iedereen wil dat. Vooral Marokkaanse en Turkse gezinnen wijzen het af. Jammer, vindt Budde, want bij allochtone kinderen komt overgewicht vaker voor.

Er komt een meisje van 10 binnen. Ze heeft een bruine huid, haar kroeshaar in een staart. Als je niet zou weten dat ze tien jaar is, zou je haar 15 schatten. Ze weegt 100 kilo, bij een lengte van 160 centimeter. Ze komt maandelijks twee tot drie kilo aan. Haar moeder is ook fors en heeft blond haar. Het meisje kijkt erg boos.

Budde: „Hoi, hoe gaat het?”

Het meisje kijkt stuurs voor zich uit en zegt niets.

„Niet zo goed”, zegt haar moeder. Ik moet streng zijn voor haar, maar dat vind ik lastig. Ik voel me heel schuldig over wat er is gebeurd.

De dokter knikt begrijpend. De dochter is een jaar eerder seksueel misbruikt door een ex-vriend van haar moeder. Volgens haar moeder is dat een belangrijke oorzaak van het overgewicht en de boosheid van haar dochter. Maar er zijn meer problemen, het gezin heeft forse schulden.

Budde tegen het meisje: „Als jij jezelf een cijfer mag geven voor gezond eten, wat geef je?”

Meisje: „Een zes.”

Budde: „Een voldoende! Mooi. Waarom geen 3 of een 4?”

Meisje, binnensmonds: „Omdat ik veel fruit eet en weinig junkfood.”

Budde: „Wat zou je moeten doen voor een zesenhalf?”

Meisje: „Minder junkfood.”

Budde vist verder tot het het meisje te veel wordt en ze huilend de spreekkamer verlaat.

„Die eeuwige boosheid”, verzucht haar moeder. „Zo is ze eigenlijk altijd.”

Budde: „Als u de problemen in het gezin op een rijtje zet, waar ergens staat het probleem van haar gewicht?”

Moeder: „Bovenaan. Ik heb geleerd gezond te koken. Maar tien minuten na het eten, heeft ze weer honger. En ze belooft klasgenootjes op school koek en snoep. Dat moet ik dan meegeven. Dat weiger ik, maar als ze dan stennis schopt, zwicht ik. Ik begrijp haar ook.”

Het gezin heeft sinds kort hulp van een sociaal pedagoog. En het meisje heeft een mentor op school die ze vertrouwt. Het lijkt Hans Budde niet handig om nóg iemand in het gezin te introduceren. Budde zal de sociaal pedagoog en de mentor bellen om te kijken hoe hij hen kan bijstaan.

Er zijn ook successen, antwoordt Hans Budde op de vraag of hij er soms niet moedeloos van wordt. Bij ongeveer 40 procent van de kinderen neemt het overgewicht af. Bij 60 procent nemen bij-effecten van het hoge gewicht af: ze krijgen een beter zelfbeeld, cholesterol daalt, ze worden minder ongevoelig voor insuline. Maar het blijft enorm lastig, omdat de meeste gezinnen kampen met grote psychosociale problemen. Budde heeft een schriftje waarin hij de succesverhalen opschrijft.

Dan komt een Marokkaans meisje van acht jaar binnen. Zij was eerder bij dokter Budde en is daarna samen met haar moeder een paar keer naar de diëtiste geweest. „Wat heb je geleerd”, vraagt Budde. „Dat ben ik vergeten”, zegt het meisje.

En u, vraagt Budde aan de moeder. „Minder cola geven en minder eten”, zegt ze. En dan bezorgd: „Ze is niet veel afgevallen.”

Het meisje gaat op de weegschaal staan: 55 kilo. „Maar ze is ook niet aangekomen”, zegt de dokter vrolijk. „Zorg ervoor dat ze niet aankomt, ze gaat groeien en het komt vanzelf goed. Het net als met kauwgom. Ze rekken uit en worden vanzelf dunner.” Het meisje schiet in de lach.

Hij meet haar lengte: 137. „Prima, prima, je bent drie centimeter gegroeid.” Hij pakt de grafiek erbij en wijst aan: „Kijk, als je drie jaar niet aankomt, dan zit je, floep, in het groene gebied.” Het groene gebied betekent: gezond gewicht.

„Waar ga je naar toe deze zomer?”

„Naar Marokko.”

„Wat leuk zeg, wat ga je daar doen?”

„Nou, daar is een snoepwinkeltje, vorig jaar ging ik daar elke dag heen.” Ze lacht guitig.

„Als je dat nu maar laat”, roept de dokter quasi verschrikt.

„Het winkeltje is nu weg”, zegt de moeder.