Trots zijn op je afkomst schuurt tegen racisme

Laatst hoorde ik voor de buren een wankelbenige man, een zwerver die uit nog meer dan enkel uit baarmoeder en bar was geworpen, schreeuwen en schelden en ik keek vervreemd op, want het leek of ik even verplaatst werd. Ik werd even verplaatst naar een vertrouwd oor in Marokko, met de eigen geuren en achtergrondgeluiden en dat specifieke licht tijdens de schemering dat vermoeidheid en doemvolheid in zich verbergt en de vader van djinns en grijsbaarden zonder huis.

De taal was natuurlijk Marokkaans, maar het was niet de taal op zich die zulke vervoerlijke en vervoerende momenten veroorzaakte (men zou anders gek worden in bepaalde buurten van Amsterdam) – de taal was vituperatief en de semantiek beperkt, maar het was de klank van een Marokkaans dat compleet onaangeroerd was door het Nederlands.

Wie enige tijd hier is – en de man in kwestie leek hier enige tijd te zijn, want hij gooide er wat Nederlands en Engels doorheen – kan de klank en vorm van zijn eigen taal niet onaangetast laten: dan spreek ik natuurlijk over wie zich tussen de inheemse mensen beweegt en een nieuwsgierigheid heeft naar de muziek en mechaniek van zijn omgeving en – ja, nieuwe keven.

Mijn Marokkaans klinkt „buitenlands” en zelfs „Frans”, hoorde ik in Marokko. Gezien mijn Algerijnse elementen heeft het ook veel weg van het Algerijns in de film Un prophète (Jacques Audiard, 2009): de protagonist is dan ook sinds zijn elfde in Frankrijk.

Zo’n verandering van de uitspraak en soms de syntaxis van de moedertaal zou vanzelfsprekend moeten zijn: het is een voortvloeisel van immigratie en integratie. Wanneer ik Marokkanen hun taal zo klinkend hoor praten, dan weet ik dat ze veel met landgenoten verkeren, behalve natuurlijk wanneer ze recentelijk in Nederland zijn aangekomen.

Aangezien de eerste generatie ervan uitging dat ze weer terug zou keren naar het vaderland, vond zij het niet belangrijk op te gaan in de omgeving. Dit kwam echter ook voort uit angst. Kinderen werd geleerd Nederlanders niet te vertrouwen, omdat zij (de immigrantenkinderen) toch niet opgenomen en vertrouwd zouden worden. Nsarra hadden niet alleen een andere, verderfelijke levenswijze, maar waren gedoemd. En verder, zoals de vader van het meisje zegt in Een meisje voor dag en nacht van Renate van der Zee (2010): „Gelukkig zijn wij moslims en geen nassara [zo schrijft zij het] anders zouden we naar de hel gaan.”

Nsarra is meervoud van nasráni en stamt af van Nazarener: er wordt zowel een westerling als wel een christen mee bedoeld, en bij de christen heeft het woord een zweem van ‘ongelovige’.

Dit is onvoorstelbaar voor wie niet in een Marokkaans gezin is opgevoed of de opvoeding in en de geestelijke sfeer van een Marokkaans gezin kent. Ik weet dat deze stelling op boosheid kan en zal stuiten, op tegenwerpingen („nou, bij onze familie...”) . En ik weet wat erger is: de minachting van mensen tussen wie je leeft en die je niks hebben aangedaan, of de voddige superioriteit. Heeft zulke superioriteit en discriminatie jegens joden en christenen in Marokko misschien iets van folklore („Bij joodse vrouwen komen er insecten uit de monden”; „christenen kennen totaal geen jaloezie en delen hun vrouwen met iedereen” – dit gaat ver terug tot in de tijd van de kruistochten), in Nederland kunnen ze gevaarlijk worden. Omgang met andere mensen kan niet anders dan tot enige kennismaking en openheid van hart leiden. Maar daarvoor moet men iets blijkbaar belangrijks opofferen: the poor man’s pride.

Deze nationalistische trots uit zich ook op een andere manier, de onmogelijkheid om het Marokkaans paspoort op te geven. Wat hier achter schuilt, is dat een Marokkaanse identiteit onlosmakelijk met je verbonden is en een bron is van trots. Trots zijn op iets waar je geen enkele invloed op hebt gehad, namelijk geboren worden op een plek die je niet zelf hebt gekozen, lijkt me een ander voorbeeld van ellendelingstrots.

Trots op afkomst is een biologische trots en dat schuurt tegen racisme aan: een woord dat weer helemaal in zwang is en ik begrijp het, met grote spijt. We moeten oppassen dat we niet terugglijden naar af. De regenboog, als symbool van diversiteit, die opdaagt op linnen schoudertassen; welbedoelde samenkomsten waarin men zich volpropt met altijd maar dezelfde koekjes – om over ramadan en suikerfeest nog maar te zwijgen.

Dit willen we toch niet? Zo gaan mensen niet met elkaar om; zo behandelt een overheid haar onderdanen niet en zo dienen ouders hun kinderen niet op te voeden.

Verplicht nieuwkomers Nederlands te leren, evenals de oudkomers. Er zullen altijd zwervers zijn die via steegjes en voor mijn huis het systeem ontvluchten, dat doen zwervers nu eenmaal. En ze polijsten mijn Arabisch op.