Donner en de openbaarheid

De Wet openbaarheid van Bestuur (WOB) is vooral een mooie manier „om snel aan informatie te komen voor artikelen of programma’s. Of om te vissen naar informatie die mogelijk op iets verkeerds wijst of zo kan worden uitgelegd. In die zin is openbaarheid van bestuur een vorm van staatssteun voor de pers.”

Het citaat is zo ironisch dat het uitgebreid aanhalen rechtvaardigt. Bedenk alleen dat het werd uitgesproken door de minister van Binnenlandse Zaken, Piet Hein Donner (CDA). Die maakt wel eens vaker een grapje, maar dit lijkt hij toch te menen.

Zo kijkt dit kabinet dus aan tegen de verhouding tussen burger en overheid. De overheid is boven de burger gesteld. Die moet zelf maar uitzoeken hoe hij zich over het openbaar bestuur informeert. Het bestuur heeft daarin geen bijzondere rol te vervullen. Dat staat daar kennelijk buiten, of boven. Of, zoals Donner laat weten: er was ook al persvrijheid toen er nog geen openbaar bestuur was. Dat was dan vermoedelijk in de tijd waarin internet niet bestond en de pers verzuild was. Die tijden zijn voorbij.

In de digitale wereld verandert ook de overheid zelf sterk door internet. Dit kabinet houdt bijvoorbeeld alleen met de grootste moeite greep op de eigen databases. Vorige week liep de vingerafdruk registratie uit op een debacle. Eerder het Elektronisch patiënten dossier. Er ontstaat een netwerkoverheid met een grote informatiemacht, waar het parlement weinig greep op heeft. Sinds de kwestie-Kowsoleea, voor altijd slachtoffer van identiteitsfraude, staat vast dat de overheid niet tot correctie van de eigen systemen in staat is. En dan komt minister Donner vertellen dat openbaarheid van bestuur ‘staatssteun voor de pers’ is? Hij zou dankbaar alle hulp moeten accepteren die de burger biedt. En snel de moeizame uitvoeringspraktijk van de WOB verbeteren, die wordt gekenmerkt door tijdrekken, obstructie, uithollen en weigeren.

Die documenten zijn niet van de overheid maar van de burger. Donner mag ze alleen beheren. Zijn standpunt is ronduit onjuist. Eerder dit jaar kreeg het kabinet nog van een deel van de Staatscommissie Grondwet het advies om een burgerrecht op toegang tot documenten in de grondwet op te nemen. Immers „een kenmerk van het digitale tijdperk is dat de betekenis van informatie(grond)rechten toeneemt”. Toegang daartoe is „een kernelement van de democratische rechtsstaat”. „Ook om overheidsbesluiten te kunnen controleren en de integriteit van het bestuur te bewaken.” Openbaarheid van bestuur is dus geen dienstverlening, laat staan een subsidie. Maar een recht van de burger en dus een plicht voor de overheid. Een die nog verzaakt wordt, ook.