‘Hulp aan Nederlanders in buitenlandse cel schiet tekort’

Nederlandse ambassades doen te weinig voor landgenoten in buitenlandse gevangenissen. Diplomaten durven misstanden niet aan de kaak te stellen en ze kunnen niet aantonen dat ze gedetineerden vaak genoeg bezoeken. Dat concludeert een adviesorganisatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken in een rapport waar de Volkskrant vandaag over publiceert.

Ambassades spreken lokale autoriteiten soms liever niet aan op misstanden en ongelijke behandeling van gedetineerden, stelt de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB). Diplomaten zouden bang zijn dat ze hun relaties met de machthebbers op het spel zetten.

Ook moeten gevangenen volgens de voorschriften minstens twee keer per jaar bezoek krijgen van een Nederlandse diplomaat. De ambassades kunnen echter niet aantonen dat dit gebeurt. Ze laten het werk deels over aan de particuliere hulporganisatie Epafras en aan Reclassering Nederland. De afstemming met deze partijen ‘kan beter’, schrijft de Volkskrant op basis van het rapport van de IOB.

Verder zou er sprake zijn van willekeur als het gaat om de financiële steun voor de ongeveer 2500 gevangenen in het buitenland. “Wie binnen Europa vastzit, krijgt niks. Daarbuiten krijg je dertig euro per maand.” Volgens de IOB zou beter naar de omstandigheden per land moeten worden gekeken. Zo zijn er Europese landen waar financiële steun wel nodig kan zijn, en is het in Australië bijvoorbeeld niet nodig.

Het onderzoek van de IOB wordt binnenkort naar de Tweede Kamer gestuurd.