God moet wonen op de Wadden

Willem Jan Otten deed het vaker: zijn peilantenne richten tot God. In zijn nieuwe bundel doet hij niet anders. Waartoe? Is zijn God soms een constructie om met de lege, zinloze kant van het bestaan om te gaan?

Willem Jan Otten: Gerichte gedichten. Van Oorschot, 60 blz. €14,50

In het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff ligt een kleine jongen met zijn moeder in de warme hei. Ze kijken naar de wolken die boven hen voorbijschuiven en hij mag zeggen wat hij in de wolken ziet: Scandinavië, eenden, ‘daar gaat een dame’, schapen met een herder. ‘De wond’ren werden woord en dreven verder.’

Het is een ontroerend tafereel. De jongen weet van niks, maar de lezer snapt wel waarom zijn moeder moet glimlachen en huilen tegelijk. Er hangt ook iets van magie omheen: het wonder van het benoemen, het zien ontstaan van de verbinding tussen ding en naam en die verbindingen dan samen verder zien drijven. Zo wordt een dichter geboren. Aan het eind van het gedicht zijn we een generatie verder, en dan gebeurt hetzelfde. De dichter ligt in de heide, met naast zich zijn zoontje, en nu wijst het zoontje hem wat hij in de wolken ziet.

De wijze, oudere dichter begrijpt wat er gebeurt, en wij, wijze oudere lezers, ook. Maar hoe zou het voor het kind zijn? Hoeveel zou het weten van de dichter die naast hem ligt? Het kan niet veel zijn, veronderstelt Willem Jan Otten, in een lang gedicht in zijn nieuwe bundel Gerichte gedichten. Daarin probeert hij te benoemen hoeveel hij nu eigenlijk weet van de God, of de goddelijke instantie, in wie hij gelooft. ‘Hoeveel weet ik van u?’ Veel is het niet: ‘Zoveel als het zoontje / dat ligt in het gedicht en wijst naar de wolken / weet van de dichter / die naast hem ligt.’ En daarna volgen nog zeven van dit soort vergelijkingen. ‘Zoveel als de veroordeelde / die in zijn celmuur klopsignalen hoort / weet van zijn buurman.’ En: ‘Zoveel als een explosievenzelfmoordenaar / in de metrocoupé / weet van het roodharige meisje met de koortslip / dat zijn oogopslag niet zoekt.’ Zo weinig weet Otten van zijn God: acht keer bijna niets. En als hij ze alle acht bij elkaar optelt, is dat altijd nog veel minder dan de Godskennis van Augustinus die schreef dat hij God niet zou herkennen als hij recht tegenover hem zou zitten.

Er is dus, zo leid ik hieruit af, heel veel God, maar wij kunnen Hem nauwelijks kennen. Wij zijn maar klein en onwetend. Wij kennen de afloop niet. Het enige wat de gelovige kan doen is zoeken, luisteren en zich richten. Zo vat ik de titel van deze bundel op: dit zijn gedichten waarin de dichter zich met zijn peilantenne richt tot God. Nieuw is dat niet. In Ottens vorige bundel, Welkom (2008), stond al een kleine afdeling ‘Gerichte gedichten’, en daarin was dit lange gedicht ‘Hoeveel weet ik van u’ ook al opgenomen. Otten is nu nog gerichter te werk gegaan. In deze bundel gaat het alleen nog maar om God en de aanwezigheid van het goddelijke in alles en de systematiek daarin, want ‘in uw reilen zit systeem.’

Je kan bij ‘gerichte gedichten’ gemakkelijk denken aan ‘gebeden’, maar dat zijn dit niet. Het zijn toch eerder gedachten, van een zoekende geest. Dit is een vraag van Otten: ‘Bent u daar nog?’ Dit is een kritische constatering: ‘Dat is uw methode: / er niet zijn.’ Dit is een verzuchting: ‘U zweeg vandaag op de wijze / van een ondoordringbaar bos.’ Dit is een verwijt: ‘U heeft een harde hand van ronselen’ In elk gedicht staat wel iets op het spel. Otten blijft, ook al is hij dan allang bekeerd tot het ware geloof, zoeken naar situaties waarin zich iets aandient. Vooral de schemering blijkt daarvoor geschikt. Zeker als de dichter dan alleen is, en peinzend gestemd, en zich bij een waterkant bevindt, is er een gerede kans op contact met de hoge U.

In een van deze gedichten vertelt Otten hoe hij als jongen van elf alleen aan het spelen was, ’s avonds, na het eten, ‘aan een ven niet ver van de moedertent’. Het was in de vakantie, nadat zijn vader het gezin had verlaten. Gedachteloos ziet de kleine jongen hoe de zwaluwen over het water schieten en zo een onzichtbaar web weven. Even gedachteloos keilt hij zijn platte steentjes over het water, en ziet hoe ze over het water springen. ‘Niemand die mij zag.’ Maar nu weet hij wel beter. ‘Toch werd ik weergaloos gezien’. Niet door de geest van de vertrokken vader, maar door een andere vaderfiguur: U. ‘U stond daar al. Aan zwarte wateren / wacht u op de eerste gooi naar poëzie.’ Hier komen heel veel elementen samen. Het steentjeskeilen als voorbode van de poëzie: elke worp een woord op een nog onbeschreven blad. God als uitlokker en hoeder van de poëzie. God als trooster voor de eenzame, door zijn vader verlaten jongen.

Het is niet de enige plek in deze bundel waar het gemis van de vader blijkt. En ook niet de enige keer dat je gaat denken dat de vlucht in het geloof daar iets mee te maken heeft. In een ander gedicht bevinden we ons, zoals wel vaker in deze bundel, op een Vlielandachtig waddeneiland. Het heeft gehageld ’s nachts. ’s Morgens vroeg liggen de hagelsteentjes nog op het schelpenpad. Otten noemt ze ‘wisselkiesjes’. Met dat beeld is meteen de kleine jongen, met zijn melkgebit, weer opgeroepen. Hij staat op het hoogste duin, de zon breekt door de ochtendmist, en dan daalt hij af, naar het strand, over het met witte hagel bestrooide zand. Dat heet hier ‘de melkweg’, waarin ook weer de melktanden meeklinken. De zoon terug in de kinderrol, zijn vader pas overleden, een God die op het punt staat zich te openbaren – alles wijst erop dat hier iets gaat gebeuren. Maar er gebeurt niets. ‘Waarom ken ik u niet’ is de eerste, ongeduldige vraag. De dichter kijkt, en hij probeert te kijken zoals hij keek toen hij hier voor het laatst was, met zijn vader, maar er gebeurt nog steeds niets. Er spreekt een grote verlatenheid uit deze scène. En het verleidt Otten tot de opstandige vraag: ‘Waar bent u op uit met uw schepselen?’

Dat besef van verlatenheid klinkt vaker door. Ik denk wel eens dat de God van Otten een constructie is om met de eenzame, lege, zinloze, zwarte kant van het bestaan om te gaan. Aan zo’n geconstrueerde u kan je vragen stellen, je kan er mee redeneren, je kan hem uitdagen – het is een manier om toch nog te praten met iets veel te overweldigends. Zo kan ik het ongeveer begrijpen, maar heel vaak wordt het mij te ingewikkeld: als Otten zich overgeeft aan snelle redeneringen, spiegelingen, omkeringen en vlot in elkaar hakende halve denkzinnen. Dat gaat dan bijvoorbeeld zo: ‘U droeg mij op te streven / naar helder als ik kan de vraag, / die u doet luiden, uit legio kelen, / als een vraag.’ Ik kan mij niet goed voorstellen dat een God zijn opdrachten in zulk beroerd Nederlands uitvaardigt.

Maar daar staat veel tegenover. Otten is ook altijd een dichter van verrassende beelden, vreemde woorden, snelle idioomwisselingen. Zijn gedichten zijn altijd licht en ritmisch. En hij is in staat om de meest metafysische kwesties terug te brengen tot een herkenbare scène in een herkenbaar decor. Dat heeft hij dan weer gemeen met de Nijhoff van ‘De wolken’. Hoe ziet het paradijs eruit? Otten ziet God zitten in een duinkom, op een stoeltje van linnen, laptop op schoot. Warme oostenwind, de zon is net op. Onder zijn opgetrokken knieën ligt een hond. Die hapt af en toe naar een hommel. ‘Stoot van de ochtendboot.’ Eden ligt op Vlieland. Het lijkt een idylle, maar hier spoelen mensen aan, statenloos, ‘zonder papieren, overdekt met zeepok’. Het beeld roept herinneringen op aan de lichamen van verdronken vluchtelingen op de stranden van Fort Europa. Die waren ook op zoek naar een beter leven. Hier worden ze voor de voeten van de laptop-God gelegd. Hij raakt ze even aan, noemt ze bij hun ware naam en ze komen weer tot leven. En daarna stuurt hij een e-mail naar alle nabestaanden dat hun doden goed zijn aangekomen. Het is een merkwaardig visioen. God woont op de Wadden en is daar van moderne communicatiemiddelen voorzien. De hemel is dichterbij dan we denken – dat moet wel de mededeling zijn van dit gerichte gedicht.