Waarom kampbeulenzo banaal lijken

Door een proces met veel decorum lijken oorlogsmisdadigers banaler dan ze zijn, betoogt Thomas Mertens.

Zeer binnenkort zal de rechtbank in München tot een uitspraak komen in de strafzaak tegen Demjanjuk. Daarmee zal, naar het zich laat aanzien, een einde komen aan een van de laatste grote rechtszaken die in verband staan met de vernietiging van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het is vijftig jaar geleden dat het eerste grote proces in dat kader in Jeruzalem van start ging tegen Adolf Eichmann. Wie van dat proces wel eens beelden heeft gezien, kan zich misschien voorstellen dat de filosofe Hannah Arendt en de schrijver Harry Mulisch erdoor getroffen waren hoe ‘normaal’ Eichmann eigenlijk was. Wie de verwachting had daar, in een glazen kast, de personificatie van het kwaad te zien, werd teleurgesteld. Eichmann deed het voorkomen dat hij niets meer was dan een ambtelijk radertje in een grote vernietigingsmachine die zeker niet door hem werd aangestuurd. Dat zo’n onaanzienlijk persoon een dergelijk kwaad (mede) kon bewerkstelligen, bracht Arendt ertoe te spreken over de ‘banaliteit van het kwaad’. Ondanks het feit dat die uitdrukking veel kwaad bloed zette en dat zij benadrukte dat die banaliteit niet sloeg op de daden maar op de dader, heeft die uitdrukking school gemaakt. We weten intussen dat Eichmann wel degelijk een antisemiet was die voor zijn ‘carrière’ koos.

Echter, het beeld van de Holocaust als een fabrieksmatige vernietiging door een ambtelijk apparaat met schrijftafelmoordenaars als Eichmann behoeft wel enige bijstelling. Historici vragen aandacht voor de ‘genegeerde Holocaust’ die zich in Wit-Rusland en Oekraïne heeft afgespeeld en die vooral ‘handmatig’ werd uitgevoerd.

Waarom heeft dat beeld van de banaliteit dan toch school gemaakt? Misschien op grond van een tamelijk eenvoudige waarneming. Het lijdt weinig twijfel dat de huidige populariteit van het internationale strafrecht, met speciale tribunalen zoals voor het voormalige Joegoslavië of voor Sierra Leone, en het Internationale Strafhof (ICC), mede te danken is aan het Eichmann-proces. Vanzelfsprekend was dat geen internationale strafzaak, maar velen hebben betoogd dat de beste manier om de rechtsmacht van het hof te Jeruzalem te begrijpen, gelegen zou zijn in wat ‘universele rechtsmacht’ genoemd wordt. Daarmee wordt bedoeld dat elke staat bevoegd is om te oordelen als dergelijke misdaden tegen de mensheid in het geding zijn. Het hof in Jeruzalem zou dus uit naam van de mensheid zelf hebben geoordeeld. Aldus zou ook het huidige internationale strafrecht bevoegd zijn op grond van de ‘mensheid’.

Dat is geen gemakkelijk begrip. Degenen die we in het beklaagdenbankje aantreffen, de Demjanjuks omgeven door medische zorg, de Milosovicen en de Charles Taylors in hun strak gesneden maatpakken, en allemaal geflankeerd door de beste juridische adviseurs en procesdossiers, verdedigen dat ook zij er gegeven de omstandigheden er het beste van probeerden te maken. Er gebeurden inderdaad verschrikkelijke dingen, maar zij gaven daartoe niet het bevel. Het was oorlog. Wat is er dan nog in het belang van de mensheid?

Ook het proces zelf met het decorum dat ermee verbonden is, lijkt de banaliteit van deze lieden in de hand te werken. Dat ligt niet alleen aan de medische zorg en de maatpakken. Het internationale strafrecht ontleent zijn legitimiteit niet aan een concrete politieke gemeenschap; de legitimiteit van het internationale strafrecht is in heel belangrijke mate afhankelijk van de wijze waarop het proces zelf verloopt. Die processuele billijkheid werkt de menselijkheid van de dader, als een van de twee – gelijkwaardige – procespartijen, in de hand. Processen zoals tegen Eichmann leren ons dat tamelijk gewone mensen onder uitzonderlijke omstandigheden tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Teruggekeerd uit die omstandigheden worden ze weer betrekkelijk ‘gewoon’; in Demjanjuk zien we een oude, zieke man. Dat dergelijke transformaties mogelijk zijn, is geen geruststellende gedachte. En de vraag hoe daarmee om te gaan, kan niet gemakkelijk worden beantwoord. Dat was het niet in 1961; dat is het helaas nog steeds niet.

Thomas Mertens is hoogleraar aan de faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Radboud Universiteit Nijmegen en aan het Instituut voor Wijsbegeerte van de Universiteit Leiden.