Vier belangrijke kwesties na de dood van Osama bin Laden

2. Maakt de dood van Osama bin Laden een einde aan de kritiek op de Amerikaanse verhoren van terreurverdachten?

Leonie van Nierop

Na jaren van aanhoudende kritiek op het ondervragingsbeleid van terreurverdachten, lijken de Amerikanen eindelijk een stevig weerwoord te hebben gevonden: Bin Laden. De tip die leidde tot de vindplaats van Osama, is volgens de Amerikaanse autoriteiten uit de verhoren van terreurverdachten naar boven gekomen.

Vlak na de aanslagen van 11 september 2001 zouden terreurverdachten in geheime CIA-gevangenissen hebben verteld dat Bin Laden werkte met een koerier die onder de schuilnaam Abu Ahmed al-Kuwaiti opereerde. De Amerikanen spitsten hun oren, wetende dat zijn – schaarse – contacten met de buitenwereld Bin Laden kwetsbaar maakten.

Veel verder kwam de CIA niet. Al-Qaeda-topman Khalid Sheikh Mohammed bevestigde na zijn arrestatie in 2003 wel dat hij Al-Kuwaiti kende. Maar hij ontkende dat deze man iets met Al-Qaeda te maken had.

De vangst in 2004 van Al-Qaeda-lid Hassan Ghul in Irak leidde de Amerikanen weer een stapje verder. Ghul wist te vertellen dat de koerier contact had met Abu Faraj al-Libi: de man die na de arrestatie van Khalid Sheikh Mohammed gold als de nummer drie binnen de terreurorganisatie.

Nadat de Amerikanen in mei 2005 Al-Libi in Pakistan te pakken hadden gekregen, sprak hij wel van een koerier, maar die zou anders heten. Al-Kuwaiti kende hij niet, zei Al-Libi. De CIA vond deze ontkenning volstrekt ongeloofwaardig. De inlichtingendienst vermoedde dat zowel Mohammed als zijn opvolger Al-Libi de koerier beschermde en beet zich daarom vast in de zoektocht naar deze koerier. Als ze hem vonden, zouden ze Bin Laden ook vinden, meende de CIA.

En zo geschiedde.

Het duurde echter nog jaren voor de CIA de ware naam van de koerier kon achterhalen. En toen Sheikh Abu Ahmed, een Pakistaan die geboren was in Koeweit, in 2007 was geïdentificeerd wisten de Amerikanen nog niet waar ze hem moesten zoeken. Tot een verdachte die door de CIA in de gaten werd gehouden vorig zomer een getapt telefoontje pleegde naar deze koerier. De koerier leidde de Amerikanen uiteindelijk naar Abbottabad, waar niet alleen de koerier, maar ook Osama bin Laden verbleef.

Knap werk van de CIA, zou je zeggen. Het Amerikaanse terreurbeleid heeft zijn nut bewezen, tegenstanders kunnen de mond worden gesnoerd. Pikant is echter dat Khalid Sheikh Mohammed en Abu Faraj al-Libi in geheime CIA-gevangenissen hebben gezeten, waar werd verhoord middels omstreden ondervragingstechnieken als waterboarding.

Als het klopt dat getuigenissen van terreurverdachten hebben geleid tot de schuilplaats van Bin Laden, is het traceren van de Al-Qaeda-leider deels op het conto te schrijven van voormalig president George W. Bush. Hij was tot 2009 verantwoordelijk voor het terreurbeleid. De huidige president Barack Obama, die nu met de eer strijkt, bekritiseerde de omstreden verhoormethoden van zijn voorganger.

Als blijkt dat dubieuze ondervragingstechnieken hebben geleid tot de dood van Osama bin Laden kan dat gegeven het debat over de legitimiteit van de Amerikaanse verhoren doen verstommen, maar ook opnieuw laten oplaaien. Mensenrechtenorganisatie Amnesty International zei gisteren dat de dood van Bin Laden „niet moet worden gebruikt als bewijs dat marteling te rechtvaardigen is”.