Op 4 mei is er altijd wat. Dat is goed

De ophef over de toespraak van een NSB-zoon past in de geschiedenis van de dodenherdenking.

Er worden steeds meer slachtoffergroepen herdacht.

Sinds vorige week woedt er een debat over de aanwezigheid van NSB-zoon Grimbert Rost van Tonningen op de dodenherdenking in Culemborg. De vraag is of Rost van Tonningen, die nadrukkelijk afstand heeft genomen van het gedachtegoed van zijn ouders, het woord mag voeren op 4 mei.

De reacties op zijn mogelijke komst zijn heftig. Juist op 4 mei zou er geen plaats zijn voor het leed van NSB-kinderen. „Laten we de twee minuten stilte alsjeblieft zuiver houden” zei Raphael Evers, rabbijn van de orthodox-joodse gemeente in Amsterdam, op 28 april in NRC Handelsblad.

Op 4 mei is er altijd wat. Vorig jaar was het bijvoorbeeld de mogelijke aanwezigheid van de Duitse ambassadeur op de Dam die de gemoederen bezighield. Ophef over 4 mei leidt volgens sommigen de aandacht af van de ware aard van de herdenking. Maar herrie is al sinds 1945 een vast onderdeel van de dodenherdenking. Juist in die herrie ligt misschien wel het ware herdenken besloten.

Dat er mensen emotioneel reageren op de naam Rost van Tonningen is begrijpelijk. Maar al sinds 1995 nodigt het Nationaal Comité 4 en 5 mei afgevaardigden van de Stichting Herkenning – de organisatie van kinderen wier ouders in de oorlog aan de kant van de bezetter stonden – uit op de Dam op 4 mei. NSB-kinderen en kinderen van Duitse militairen worden sindsdien officieel gerekend tot de door het Nationaal Comité 4 en 5 mei afgebakende groep van ‘oorlogsgetroffenen’. Zij hebben immers ook veel geleden als gevolg van de Tweede Wereldoorlog. Je zou dus kunnen zeggen dat de uitnodiging van Rost van Tonningen een logisch gevolg is van de ruim vijftien jaar geleden door het Nationaal Comité 4 en 5 mei gekozen koers.

Daarnaast kun je je afvragen of de twee minuten stilte ooit wel “ zuiver” is geweest. 4 mei is een jaarlijks terugkerende traditie, en van tradities verwacht je dat ze onveranderlijk zijn. Sinds 1945 is echter de inhoud van de herdenkingsceremonies, zowel nationaal als lokaal, verschillende malen drastisch gewijzigd. Sterker nog: de herrie lijkt de grootste constante in het herdenken te zijn.

Een paar voorbeelden. De herdenking begon direct na de oorlog als een spontaan opgezet ritueel door en voor de slachtoffers onder het voormalig verzet. Aanvankelijk werden er alleen gesneuvelde militairen en verzetsstrijders geëerd. In de loop der jaren veranderde het karakter van de herdenking als gevolg van actuele omstandigheden. Allereerst eisten in de jaren vijftig de nabestaanden van de na de oorlog in Indonesië en Korea omgekomen soldaten hun plaats in het ritueel op. Vanaf 1961 werden alle sinds 10 mei 1940 omgekomen slachtoffers van oorlog- en vredesmissies op 4 mei in de herdenking betrokken. Het is vandaag de dag wellicht onvoorstelbaar, maar pas in de jaren zestig besefte het gros van de Nederlanders dat ook de vermoorde joden een centrale plek op de herdenking verdienden. Dit kon pas gebeuren nadat de mythe van een groots nationaal verzet doorbroken was; slechts een klein deel van de bevolking had verzet tegen de Duitsers gepleegd, velen hadden toegekeken toen de joden werden weggevoerd. Pas toen dit was doorgedrongen, ontstond er ruimte voor het herdenken van de gedeporteerde joden.

Dat de NSB-kinderen niet vermoord zijn in de oorlog en daarom moeilijk op een dodenherdenking als slachtoffers kunnen worden herdacht, zoals Ronny Naftaniel in het radioprogramma Stand.nl betoogde, is op zichzelf een goed argument tegen de toespraak van Rost van Tonningen. Dit criterium werd echter jaren geleden al losgelaten. Het begon met de 4 mei-herdenking van onderdrukte homoseksuelen sinds het begin jaren zeventig. Dit ondanks het feit dat homoseksuelen in Nederland tijdens de oorlog – in tegenstelling tot in Duitsland – niet stelselmatig op basis van hun geaardheid waren vervolgd.

Vanaf de jaren zeventig werden er steeds meer ‘vergeten slachtoffergroepen’ in de herdenking geïncorporeerd. Na de homoseksuelen volgden bijvoorbeeld de Indische slachtoffers, de burgerslachtoffers, en ook allerhande tweede generatieslachtoffers. Vanaf halverwege de jaren negentig worden er – met o.a. een beroep op de Europese integratie – bij tientallen lokale herdenkingen in Nederland ook zelfs Duitse oorlogsslachtoffers herdacht.

Het toont de veranderlijkheid van het herdenken. Al deze aanpassingen gingen met een hoop commotie en emotie gepaard en ze waren een gevolg van de poging om de herdenking aan te passen aan de specifieke behoeftes van de tijd. Herdenken zegt daarom vaak meer over het heden dan het verleden.

Het rumoer over de aanwezigheid van Rost van Tonningen past in deze geschiedenis. De afgelopen jaren is er in publicaties steeds meer aandacht gekomen voor het leed van de kinderen van NSB’ers. Dit heeft kennelijk een onvermijdelijke weerslag op de herdenking.

De rel is dus geenszins uniek. En de rel is helemaal niet zo erg. Juist in de discussies over het herdenken wordt duidelijk wie je om welke reden een slachtoffer van de oorlog en onderdrukking kunt noemen en wie niet. De afwijzing van de deelname van Rost van Tonningen typeert waarom NSB-kinderen ook oorlogsslachtoffers zijn: ze lijken voor eeuwig besmette blijven door de daden van hun ouders.

In die herrie schuilt misschien wel de ware herdenking. Het zou pas erg zijn als het stil was rond 4 mei. Zonder zulk rumoer sterft de herdenking waarschijnlijk een stille dood.

Maud van de Reijt is historica en journaliste en auteur van het bij Bert Bakker verschenen ‘Zestig jaar herrie om twee minuten stilte’.