Onbehagen over mensenrechtenhof in Straatsburg

Vorige week werd diplomaat/politicus Max van der Stoel begraven. Hij maakte de meeste indruk als voorvechter van mensenrechten, schreef de krant. Dat leek de communis opinio. Hij was een atlanticus van de verstandige PvdA-vleugel. Hij maakte indruk als rapporteur voor de Raad van Europa, als minister en als Hoge Commissaris voor de Minderheden. Hij stond boven de partijen, had het hart op de goede plek. Zijn mensenrechtenreputatie reikte tot buiten de landsgrenzen.

Over naar de Senaat, waar beginnend minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) zich vorige week zorgen maakte over het mensenrechtenhof in Straatsburg. Dat zou zich bezighouden met zaken van „zeer gering materieel belang”. In een notitie waarschuwde hij dat het Hof „niet zijn eigen gezag moet verzwakken”, door zaken te doen „die slechts op perifere wijze verband houden met mensenrechten”. Daar kwam maar „jurisprudentiële inflatie” van. Dan zou het draagvlak voor het Hof afnemen. Voorbeelden? Ho maar. Dat wordt raden. Dat Straatsburg uitzettingen van asielzoekers schorst, irriteert hem, bleek uit een bijzinnetje. Dat zorgt namelijk voor „veel ophef en onnodige vertraging”. Dat is vervelend voor de minister, nou en of, maar in een asielprocedure is een uitzetting perifeer noch van marginaal belang.

Ook zou Straatsburg de vrije beoordelingsmarge van lidstaten „beter moeten respecteren”. Deze schrijft Europese rechters voor dat lidstaten eigen ruimte hebben voor nationale, culturele of historische interpretaties van het verdrag. Oftewel – dat Straatsburg zich bij religie, seks en euthanasie maar op de vlakte moge houden. Soms is dat nog niet gemakkelijk. Vorige maand corrigeerde het Hof zichzelf, door alsnog de aanwezigheid van kruisbeelden in Italiaanse klaslokalen goed te keuren. Daarmee was het bekritiseerde Lautsi-arrest van de baan. Deze Finse expat vond dat haar zonen op hun Italiaanse openbare schooltje onder dit ‘vaandel van het katholicisme’ leden onder indoctrinatie. De Grote Kamer van het Hof vond dit gelukkig onzin. Dat kruisbeeld was een „passief symbool”. Katholicisme werd hier niet onderwezen. Andere religies en kledingsymbolen waren welkom. Van bekering was geen sprake. Moeder Lautsi had bovendien de „volle vrijheid” om haar zonen in te lichten volgens haar eigen opvattingen. Een crucifixplicht voor klaslokalen is het type culturele eigenaardigheid waarover een lidstaat zelf gaat.

Zou dit het type „perifere” kwestie zijn waarover Rosenthal het had? Dan zou daarvoor nog wel begrip kunnen worden opgebracht. Hij noemde het niet. In de Senaat ondertekende een meerderheid alvast een CDA-motie, waarin Rosenthals kwalificaties werden neergezet als „onjuist en niet passend”. Een minderheid schamperde dat in Kiev, Ankara of Moskou de vlag uit kon. Daar kankeren ze namelijk al jaren op de ‘inmenging’ van Straatsburg, dat detentieomstandigheden afkeurt, of de Russische behandeling van Tsjetsjeense gevangenen. Menige senator herinnerde aan de Four Freedoms Award, die het vorige kabinet – met de VVD – in mei 2010 nog door de koningin had laten uitreiken aan Straatsburg. Het mensenrechtenhof had in zijn vijftigjarige bestaan „vele duizenden zaken” beslist. „Iedere burger” was toegang geboden tot universeel recht, beweerde premier Balkenende. Toekomstige generaties moesten kunnen bouwen op het Hof, een „afgewogen en machtig instrument”, waarin we „allemaal geloven”. Hij sprak geen bezorgd woord over perifere kwesties, inflatie of verzwakkend gezag.

Het is altijd oppassen als de macht de kwesties die burgers tot procederen in Straatsburg brengt, marginaal noemt. Of die zaken belangrijk genoeg zijn, maken de burgers zelf wel uit. Zij hebben niet voor niks een klachtrecht. Verder accepteert het Hof alleen zaken waarin de klager een significant nadeel leed. Triviale kwesties zijn welkom, als daarin maar een belangrijke rechtsvraag aan de orde is. Die zorgen van Rosenthal zijn dus krokodillentranen. De zaak-Lautsi bewijst dat het Hof zichzelf kan corrigeren. Blijf dus van deze rechter af.