'Net als mijn vader ben ik een moraalridder'

Tekenaar Peter Pontiac kreeg gister de Toonderprijs toegekend, vooral voor de graphic novel over zijn vader, die fout was in de oorlog. „Het is een speurtocht naar het waarom van zijn keuzes.”

Nederland, Amsterdam, 02-05-2011 Peter Pontiac, echte naam Peter J.G. Pollmann (Beverwijk, 28 april 1951) is een Nederlandse illustrator en striptekenaar PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Amsterdam, 02-05-2011 Peter Pontiac, echte naam Peter J.G. Pollmann (Beverwijk, 28 april 1951) is een Nederlandse illustrator en striptekenaar PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2010

Peter Pontiac heeft maandagmiddag nog niet gehoord wat de jury van de Toonderprijs voor lof over hem, de winnaar, heeft uitgesproken. Zijn boek Kraut noemt de jury ‘de beste Nederlandse graphic novel getekend én geschreven’. „O”, reageert Pontiac. Het is een beduusd o, van iemand die niet gewend is aan complimenten. Hij relativeert snel. Hij weet nog wel vier boeken die zijn uitgeroepen tot beste graphic novel.

Maar het is toch een mooie eer dat de jury van de grootste stripprijs dit proclameert? „Ja”, erkent hij volmondig. „Ik vind het geweldig. Marten Toonder is de grootste, dus het is mooi dat deze prijs zijn naam heeft.” Hij vervolgt: „Ik ben vanochtend meteen geld van iemand gaan lenen. Dat is nu makkelijker. Schraalhans is keukenmeester hier, dus ik was blij dat ik een goed verhaal had om wat te kunnen lenen.”

Gaat het financieel zo slecht? „Ja, het is heel erg. Ik heb al maanden nauwelijks werk. En betalen duurt maanden. Ik heb in januari iets voor de Humo gemaakt en die hebben nog niet betaald.”

De 25.000 euro van de Toonderprijs brengt hem in een „gerieflijke positie. Wat is hij gaan doen van het geleende geld? „Niks. Boodschappen. En de huur betalen.”

Kraut, een Brits-Amerikaans scheldwoord voor Duitsers, vertelt het levensverhaal van zijn vader, Joop Pollmann: hoe de jonge Joop zich aansluit bij het Zwarte Front, de roomse variant van de N.S.B, en dient als frontverslaggever bij de Waffen-SS. Na de oorlog zit zijn vader bijna vijf jaar gevangen en doet dwangarbeid, alvorens hij een gezin sticht. Zijn vrouw, Tiny, de ex van een omgekomen Duitse soldaat, correspondeert al met hem als hij nog gevangen zit. Pontiac, echte naam Pollmann, is hun eerste zoon.

Zo’n levensverhaal vroeg erom om verteld te worden, zegt Pontiac. „Op zolder vond ik ooit een schetsboek van hem uit zijn jeugd. Zijn vader, mijn opa, had een heiligebeeldenwinkel – hij was zeer katholiek – en er stonden allemaal tekeningen in van Jezus, de paus, maar ook van Hitler, Mussolini en Mickey Mouse. Dat was een schat op zich.”

Na een leven als Libelle-journalist en vlak na de scheiding van zijn vrouw verdween Joop, in 1978, op Curaçao, zonder een spoor achter te laten. „Dat maakt het verhaal spannend en kleurrijk. Mijn boek is een speurtocht naar het waarom van zijn keuzes in het leven, die eigenlijk allemaal rampzalig waren.”

Pontiac begon pas met Kraut nadat zijn moeder in 1997 overleed. „Ik liep al jaren met het idee rond, maar ik wilde haar geen pijn doen met het boek.” Voorin staat een foto van de onderkant van een sigarettendoosje, met een tekst van Will Eisner, auteur van The Contract with God, het boek dat het genre van de graphic novel muntte: ‘To Peter Pontiac. Please keep going. Do a graphic novel too. I need company. It’s too lonely out there.’ Pontiac: „Dat was een grote stimulans.”

Terecht roemt de jury zowel de schrijf- als tekenkwaliteit van Kraut, dat Pontiac de ondertitel biografiek gaf. De handgeschreven tekst is van evenveel belang als het tekenwerk. De vorm is die van een brief aan zijn vader en vanaf het eerste moment is de toon van de zoon zelfbewust als hij het leven en het katholieke milieu van zijn vader schetst.

Hij schreef Kraut niet om zijn vader te kunnen vergeven, zegt hij. „Er zit wel liefde in voor hem.” Wilde hij zijn vader beter proberen te begrijpen? „Dat ook. Hij heeft zijn pen laten zingen voor de foute partij, maar ik zag in dat hij minder schuldig was dan ik aanvankelijk dacht. Ik ontdekte ook dat ik eigenlijk net zo’n moraalridder ben als hij was.”

Tijdens zijn leven was er weinig tussen vader en zoon. „Vooral gescheld. Pas later, toen ik als tekenaar begon te publiceren, kreeg hij wat respect voor wat ik deed. Lang haar, zoals ik droeg, vond hij verschrikkelijk. Sowieso had hij aan alles wat links was een pesthekel.”

In zijn boek presenteert Pontiac zeven scenario’s voor de verdwijning van zijn vader, maar zijn vermoedelijke dood blijft een groot vraagteken. „Ik zal nooit weten wat er is gebeurd. Ik wil het wel weten, maar meer als detective dan vanuit emotionele betrokkenheid.”

Voor een VPRO-documentaire bezocht hij in 2002 de Daaibooibaai, waar zijn vader voor het laatst in zee was gezien. Hoe was dat? „Bizar. Ik kreeg een camera op mijn gezicht en de filmploeg wachtte op een traan. Het strandje lag bezaaid met koraalstokjes, een soort knekelbotjes. Daarvan heb ik er sindsdien altijd één op zak.”

Hij vist een wit hard staafje op. „Ik heb wel afstand van mijn vader gehouden, maar dit komt van de plek waar hij is verdwenen. Dat betekent toch veel voor me.”

In de uitgebreide, tweede druk van Kraut, uit 2005, doet hij verslag van het bezoek. „Ik beschrijf een droom na het bezoek aan de baai. Ik zie mijn vader, we omhelzen elkaar en daarbij drukken onze borstbenen tegen elkaar. Een fysieke sensatie, heel mooi.” Er een tekening van maken, lukt niet. „De puurheid van dat moment, de ernst die ik erin wilde leggen, kreeg ik niet op papier. Het werd ironisch. Kennelijk sluipt er ook ironie in mijn stijl als ik dat niet wil.”

Met verbazing stelt Pontiac vast dat Kraut weer terug in de belangstelling is. „Ik huldigde de romantische opvatting dat ik voor mijn vijftigste iets groots moest doen. Dat was Kraut.”

Maar afgelopen donderdag werd hij zestig en graag had hij voor zijn zestigste weer een markant boek gemaakt. „Ik sta wel op exploderen, maar ik moet steeds opdrachtjes aannemen om mijn brood te verdienen. Dat is het vervelende.” Snel corrigeert hij zichzelf: „Of vervelend: ik hou ontzettend van mijn vak, maar ik zou niet tot aan mijn dood alleen illustraties willen maken.”

Vol met plannen zit hij. Voor Een boek over de dood, „waarin de Dood de plaats van Jezus inneemt bij de veertien statiën van de kruisweg. Zodat als de dood mij komt halen, het 1-1 staat, omdat ik hem al te grazen heb genomen.” En hij droomt van een boek over het Kapitaal, „over het gajes dat de wereld naar de kanker helpt. Mijn woede wordt almaar groter.”

Onlangs kreeg hij bij een lezing over superhelden een inval. „Klein onrecht pakken superhelden wel aan, maar de geldstromen laten ze ongemoeid.” Pontiacs superheld moet opstaan tegen de graaiende bankiers. „Iemand die echt dood en verderf zaait in die kringen.”

Bij het samenstellen van een bloemlezing uit zijn werk, dat volgend jaar moet verschijnen, ontdekte hij dat zijn eerste tekening al gericht was tegen Nixon en de oorlog in Vietnam. „Eigenlijk ben ik in veertig jaar geen spat veranderd.” Hij is een kind van de protestgeneratie, zijn thema is de barricade. „Ik ben gewoon een oude hippie.”

Nog steeds ziet hij een samenleving „die gebaseerd is op een misdaad: we leven op te grote voet ten koste van anderen. Het systeem deugt niet. Dat is een goede drive om te tekenen.”

Zijn wortels liggen in het anarchisme, provo en undergroundstrips. „Robert Crumb tekende in 1968 de lp-hoes van Cheap Thrills van Janis Joplin. Een eye-opener. Tekenen als visuele rock-’n-roll: mijn liefde voor muziek, tekenen en maatschappijkritiek kwamen bijeen. Dat was wat ik wilde doen.”

Hij laat een hoes zien die hij onlangs tekende voor een Haarlems bandje. „Ik heb het razendsnel getekend met potlood, zonder al te veel verbeteringen en zonder het op de lichtbak over te zetten in inkt. Dit straalt energie uit. Dat wil ik meer gaan doen. Ik krijg steeds meer zelfvertrouwen.”

Dat is verbazingwekkend voor iemand op zijn leeftijd en met zijn staat van dienst. „Ze kunnen duizend keer op je schouder slaan, maar dat goede gevoel duurt maar een dagje. Zelfvertrouwen moet je uit jezelf halen. De kracht die ik nu voel, had ik graag eerder gehad. Ik vind het leven steeds leuker worden.”

Ron Rijghard