Kritisch, beminnelijk, bevlinderstrikt

Als psycholoog onderzocht Willem Albert Wagenaar waarneming en geheugen. Hij paste zijn expertise toe als getuige-deskundige.

Prof.Dr.Willem A.WAGENAAR,psycholoog (1941) in zijn werkplaats waar hij een toren voor een van zijn kleinkinderen aan het maken is.VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Zeist,15 mei 2006
Prof.Dr.Willem A.WAGENAAR,psycholoog (1941) in zijn werkplaats waar hij een toren voor een van zijn kleinkinderen aan het maken is.VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Zeist,15 mei 2006 ©Vincent Mentzel 2006

Met het overlijden van Willem Albert Wagenaar, op 27 april 2011 in Utrecht, verliest de Nederlandse psychologie een van zijn markantste persoonlijkheden. Hij is bijna 70 jaar geworden. Wagenaar was een psycholoog uit de school van John van de Geer, de leermeester van een hele reeks onderzoekers die in het laatste kwart van de vorige eeuw de experimentele psychologie in ons land gedomineerd hebben en de Nederlandse bijdrage ook internationaal op de kaart hebben gezet.

Wagenaar was het belangrijkste deel van zijn loopbaan hoogleraar experimentele psychologie aan de Leidse universiteit. Daar hadden twee thema’s in de psychologie zijn speciale aandacht: het onderzoek naar het ontstaan van ongevallen en de rechtspsychologie. Vooral zijn werk op dit laatste terrein heeft hem bekendheid gegeven bij het grote publiek. Hij was in dat vakgebied een wetenschapper die zowel in de praktijk actief was, als fundamenteel laboratoriumonderzoek deed.

In 1987 was hij de pionier die in Israël optrad als rechtspsychologische getuige-deskundige in het proces tegen Demjanjuk, die werd verdacht van oorlogsmisdaden. Het getuigde van moed om in een vijandige omgeving geduldig uit te leggen hoe problematisch de herkenningen van Demjanjuk door concentratiekampslachtoffers waren. Over zijn werk in die zaak schreef hij een boek (Het herkennen van Iwan, 1989), dat weer de aanleiding was om de regels voor herkenningsprocedures in Nederlands te verbeteren.

Veel van Wagenaars onderzoek in het psychologische laboratorium ging over de best mogelijke procedure voor de identificatie van onbekende daders door ooggetuigen, maar hij deed ook onderzoek naar waarneming, geheugen en herinnering. Zijn mooiste experiment publiceerde hij in het klassieke artikel My Memory in 1986. Zes jaar lang schreef hij van elke dag twee gebeurtenissen op en die gebeurtenissen probeerde hij zich jaren later onder strikt gecontroleerde omstandigheden weer te herinneren. Dat experiment met zichzelf als enige proefpersoon, dat hem internationale bekendheid onder vakgenoten bezorgde, heeft ons veel geleerd over de werking van het geheugen en de herinnering in het bijzonder.

Wagenaar was een uitzonderlijk bekwaam docent; zijn voordrachten en colleges over velerlei onderwerpen en in het bijzonder de rechtspsychologie hebben bij menigeen diepe indruk gemaakt. Steevast getooid met een – door hemzelf gemaakt – strikje fileerde hij daarin de menselijke aard, het werk van politie en openbaar ministerie en de beslissingen van rechters.

Dezelfde kwaliteit als voordrachtskunstenaar zette Wagenaar in bij zijn voorstellingen met de toverlantaarn, waarbij hij vaak werd bijgestaan door zijn dochter Elisabeth. Met zijn zeldzame exemplaren van de toverlantaarn en een omvangrijke collectie glasplaten maakte hij gezongen en gesproken voorstellingen. Daarvoor bouwde hij aan zijn huis zelfs een eigen theater.

In de loop van de jaren trad Willem Albert Wagenaar in honderden zaken op als getuige-deskundige, zowel in straf- als civiele zaken. In die functie lichtte hij rechters voor over aspecten van rechtszaken die zij zelf niet helemaal kunnen overzien. Deze ervaringen met de dagelijkse praktijk van de rechtspraak hebben in veel gevallen weer geleid tot artikelen en boeken waarin de gang van zaken in de rechtspraak werd geanalyseerd en niet zelden bekritiseerd. In veel gevallen hebben wij daarbij met hem samengewerkt en kunnen als weinig anderen getuigen van zijn werkkracht en uitzonderlijke vakbekwaamheid. En ook van zijn loyaliteit en beminnelijkheid.

Een scharnierpunt in zijn carrière als rechtspsycholoog was de Eper incestaffaire in het begin van de jaren negentig. Een jonge vrouw met de naam Yolanda zou door talloze dorpsgenoten zijn misbruikt, alsmede gewelddadige abortussen en satanische rituelen hebben moeten ondergaan. In die zaak rapporteerde Wagenaar samen met vakgenoot Herman Soppe. In dat rapport legden zij uit dat alle controleerbare verklaringen van de aangeefster Yolanda niet waar konden zijn. Niettemin werden de verdachten veroordeeld, een onmiskenbare rechterlijke dwaling, volgens Wagenaar, die hij in het jaar voor zijn overlijden onder de aandacht van de magistratuur probeerde te brengen – zonder succes. De patronen van fouten die hij in grote strafzaken als de Eper incestaffaire constateerde, zag Wagenaar ook in veel kleine strafzaken. Het maakte zijn kritiek op de rechtspraak in de loop der jaren steeds heftiger.

De toenemende felheid van die kritiek kan men aflezen uit de titels van de twee laatste boeken waaraan hij werkte: De Slapende Rechter (2009) en Broddelwerk (2010, beide verschenen bij Bert Bakker). Beide boeken zijn bekritiseerd door leden van de rechterlijke macht, maar het zou ons niet verbazen als men ook daar de komende tijd zijn stem zal missen. Buiten de jaren waarin hij rector magnificus van de Leidse universiteit was, is Wagenaar altijd een gedreven wetenschapper geweest die met zijn werk verschil wilde maken voor de praktijk, niet in de laatste plaats de praktijk van de strafrechtspleging.