Koude Oorlog stopte komst Joden in Suriname

Nederland wilde na WOII in Suriname een Joodse kolonie toelaten. Communistenvrees, antisemitisme en blunders verhinderden dit.

Het is een vrijwel onopgemerkte episode uit de Nederlandse koloniale geschiedenis: het onuitgevoerde plan, kort na de Tweede Wereldoorlog, voor vestiging van ontheemde Europese Joden in Suriname. De Nederlandse VN-afgevaardigde (en latere minister) E. Sassen kondigde op 26 november 1947 in de Algemene Vergadering met trots aan dat op initiatief van het Surinaamse parlement „en met de oprechte steun van mijn regering een overeenkomst werd gesloten voor grootschalige hervestiging in Suriname van dertigduizend Joden”. Het ging om een initiatief van de Amerikaans-Joodse organisatie The Freeland League.

Oud-diplomaat Alexander Heldring ontrafelde de affaire in een promotieonderzoek. Ingrediënten: politiek geblunder, competentiestrijd, communistenvrees, antisemitisme en zionisme. Onlangs verscheen de handelseditie van zijn proefschrift Het Saramaccaproject; een plan van Joodse kolonisatie in Suriname.

Het kolonisatieplan was in Suriname prominent nieuws. In Nederland kreeg de affaire veel minder aandacht. In de biografieën van betrokken bewindslieden als Beel en Drees is er niets over te vinden. Weekblad Vrij Nederland wijdde er in 1987 na beperkt archiefonderzoek een artikel aan. Heldring spitte verder. Hij maakte ook gebruik van archieven van het YIVO Institute for Jewish Reseach in New York, dat briefwisselingen over het kolonisatieplan bevat.

De aanvankelijke Nederlandse steun voor het plan was mede ingegeven door de wens de internationale reputatie op te poetsen, wat gezien de Indonesiëkwestie geen overbodige luxe was. Bovendien kon Suriname door de vestiging van ontheemde Joden, die Nederland zelf niet wilde opvangen, een economische impuls krijgen.

Een delegatie van de Freeland League bezocht Suriname om de plannen toe te lichten. The New York Times besteedde aandacht aan dat bezoek. Het ging om „groepsgewijze” vestiging: coöperatieve landbouwbedrijven in het nauwelijks bevolkte Saramaccagebied. Onomstreden was het plan in Suriname niet. Zo sprak creoolse partij NPS over de „historische reputatie” van Joden in Suriname (lees: Joodse planters behandelden hun slaven weinig zachtzinnig). Het Surinaamse parlement gaf met krappe meerderheid zijn fiat.

De Nederlandse ministerraad stelde zich welwillend op, al vroeg minister Lieftinck (Financiën) wel om een kostenberekening. De Freeland League ontving eind 1947 een brief van de Nederlandse gouverneur in Paramaribo, J.C. Brons, die sprak van de „besluiten” van het Surinaamse parlement en de Nederlandse regering 30.000 Joodse migranten toe te laten. Een formeel besluit van Nederland was er echter nog niet. Heldring ontdekte dat het briefconcept van de gouverneur was voorgelegd aan de Freeland League, die dus kon meeschrijven aan de uiteindelijke versie.

Maar in de loop van 1948 sloeg in Den Haag de stemming om, mede door de Koude Oorlog en verwikkelingen rond de stichting van Israël. Zo was men op de ministeries van Buitenlandse Zaken en Overzeese Gebiedsdelen bevreesd dat de meeste Joodse immigranten uit Oost-Europa zouden komen, waardoor het communisme in Suriname voet aan de grond kon krijgen. Heldring spreekt van „allerlei vermoedens [die] tot argumenten tegen het kolonisatieplan werden omgevormd”.

Een belangrijke oorzaak van de uiteindelijke mislukking was volgens Heldring „een zekere antisemitische houding” binnen deze ministeries. Zo had topambtenaar Adriaanse van Buitenlandse Zaken het over „Oost-Joden – een in het algemeen als weinig handelbaar bekendstaand ras”. De frase keerde terug in een brief van minister Van Boetzelaer (Buitenlandse Zaken) aan minister-president Beel. De volkenrechtdeskundige op het departement, professor François, waarschuwde dat „Joden in welk land ze ook terecht zouden komen, een ‘staat in de staat’ gaan vormen”. Heldring concludeert dat de tijdgeest zodanig was dat „binnen de Nederlandse regering deze stereotypen blijkbaar als normaal werden beschouwd”.

Intussen deed de zionistische beweging vanuit Amerika alles om het plan van de Freeland League de grond in te boren. Want volgens haar ondermijnde Joodse migratie naar andere gebieden dan Palestina de stichting van een Joodse staat. Zioniste Ida Silverman, die eerder actie had gevoerd tegen een kolonisatieplan in Australië, reisde in maart 1948 naar Suriname. Om haar gesprekspartners de stuipen op het lijf te jagen noemde ze de initiatiefnemer – de Joodse advocaat Isaac Steinberg die al in 1923 uit het revolutionaire Rusland was gevlucht – „een vreselijke Russische revolutionair”. Tegen Chinese Surinamers zei Silverman dat „Joodse handelaren jullie middelen van bestaan zullen afpakken”. Na afloop schreef ze dat ze was teruggekeerd uit Suriname „met materiaal dat het kolonisatieplan verplettert”. Gouverneur Brons maakte toen een ommezwaai.

Maar de Nederlandse regering wilde internationaal gezichtsverlies voorkomen. Daarom moest het lijken alsof het Surinaamse parlement het kolonisatieplan geheel eigener beweging afblies. Nederland ontkende steeds dat er druk was uitgeoefend. Maar een raadsadviseur van toenmalig minister-president Drees erkende in interne correspondentie „dat de Nederlandse regering de beslissing [van het Surinaamse parlement] beïnvloed heeft”. En Drees? Hij noemde in een krabbel bij een officieel stuk de Nederlandse handelwijze jegens de Freeland League „bijzonder zwak” en de gang van zaken „niet onbedenkelijk”.

Alexander Heldring: Het Saramaccaproject. Uitgeverij Verloren, 349 blz. € 35