Kind en honger (1)

In de vloed van nieuwe boeken over Nederland en de Tweede Wereldoorlog viel mij het boek Naar de boeren! van Frans Nieuwenhuis op. Het gaat over een minder belicht aspect van de bezetting: de kinderuitzendingen tijdens de Hongerwinter. Zo’n 40.000 tot 50.000 kinderen, niet-Joods en vaak afkomstig uit de lagere sociale milieus, zijn in die winter van 1944-1945 vanuit de hongerende steden van het westen naar Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel gestuurd.

De Hagenaar Nieuwenhuis was zelf zo’n kind. Als 11-jarige werd hij samen met zijn broertje op een boot naar Friesland gezet. „’s Avonds laat voeren we weg”, schrijft hij in zijn voorwoord, „met honderdvijftig kinderen op een dikke laag stro, met luizen, omvallende toiletemmers, vier kachels en dichte luiken. Onderweg kregen we hier en daar wat brood en soep; één keer mochten we van de boot af en konden we ons een beetje wassen.”

Nieuwenhuis beschrijft de gigantische logistieke operatie die het fundament was van de uitzendingen en waarbij de kerken een hoofdrol speelden. Zijn boek wordt vooral boeiend door de fragmenten uit de tweehonderd verhalen van de kinderen die hij de afgelopen jaren met een oproep verzamelde. „We voeren met zeven platte schuiten aan elkaar van de De Ruyterkade in Amsterdam naar Zwolle. Er lag stro in, maar er waren geen toiletten en we kregen geen drinken. Drie schuiten raakten los en waren een paar dagen zoek.”

„De begeleiders hadden goed gevonden dat er drie verstekelingetjes mee mochten naar Groningen, een jongetje van dertien met twee jongere broertjes die door hun moeder naar het noorden waren gestuurd om te zien of ze daar voor zichzelf een onderdak konden vinden.” Soms ging het te voet. „Onderweg vroegen we of we even van een wc gebruik mochten maken en dat werd geweigerd. Als dank heeft Marie toen vlak voor de deur over staan geven.”

Waar gingen al die kinderen heen? Adressen voor pleeggezinnen waren vooral verkregen door oproepen vanaf kansel en preekstoel. Groningse pleegouders schreven aan de ouders van hun pleegdochter: „De predicatie was aangrijpend en na de mis holden moeders met betraande ogen naar de pastorie” – om zich op te geven. Niemand kreeg ervoor betaald, noch de pleegouders, noch de vrijwilligers.

De kinderen gingen niet alleen ‘naar de boeren’, de meerderheid vond een pleeggezin bij burgers, zowel in gehuchten als in de grote steden. Gezien de massaliteit van de uitzendingen waren chaotische taferelen bij vertrek en aankomst onvermijdelijk. Vaak werd pas ná aankomst beslist naar welk adres een kind zou gaan. Mensonterend was de ‘slavenmarkt-methode’, zoals Nieuwenhuis die noemt. De toekomstige pleegouders liepen om de kinderen heen en zeiden: „Geef mij die maar.”

„We werden in het dorp getoond […] Ik was het laatste kind dat er nog zat”, schreef een kind, „ik wist wel dat ik niet de mooiste was. Uiteindelijk hebben mensen me meegenomen omdat ik veel op hun overleden dochtertje leek. Daar kwam ik op een boerderij terecht.”

Dat waren extreme ervaringen. Over het algemeen toonden de respondenten van Nieuwenhuis zich tevreden over het maandenlange verblijf bij hun pleeggezin. Zelf kwam hij in het Friese dorpje Tzum terecht bij een kapper-schoenmaker, „lieve mensen”, met wie hij na de oorlog in contact bleef.

Van alle verhalen greep hem dat van Mieke Voss het meest aan. Mij ook. Daarover morgen meer.