Juridisch is Bin Laden onschuldig

Voor de mensenrechten en voor de bescherming van de samenleving was het beter als Osama bin Laden zou zijn berecht, schrijft Göran Sluiter.

De dood van Osama bin Laden wordt in de westerse wereld alom met gejuich begroet. Voor de vorm zegt men er af en toe wel bij dat Bin Laden bij voorkeur berecht had moeten worden. Waarom dat zo belangrijk is en waar en hoe dat had moeten gebeuren, krijgt vooralsnog weinig aandacht.

Er is een aantal concrete voordelen te noemen van berechting. Dat had de mogelijkheid geboden door middel van een strafproces de waarheid vast te stellen met betrekking tot een zo groot mogelijk aantal terroristische aanslagen. Een goed georganiseerd strafproces is uiteindelijk een betere vorm van genoegdoening voor samenleving en slachtoffers dan een wraakoefening. De dood van Bin Laden betekent voor slachtoffers van zijn vermeende misdrijven dat de precieze toedracht daarvan waarschijnlijk voor altijd onopgehelderd zal blijven. Een levende Bin Laden had informatie van onschatbare waarde kunnen verschaffen over andere verdachten en de organisatie van zijn eigen terrorismenetwerk. In het licht van met name dit laatste punt rijst de vraag in hoeverre de Amerikanen zich hebben ingespannen om Bin Laden levend in handen te krijgen. Het zou mij verbazen indien, alleen al gedacht vanuit de bescherming van de samenleving, het belang van een levende Bin Laden niet het uitgangspunt is geweest in de voorbereiding van de Amerikaanse operatie.

Ook vanuit het perspectief van de rechten van de verdachte valt de dood van Bin Laden te betreuren. Het zal niet populair zijn dit te zeggen, maar ook voor Bin Laden geldt het principiële en fundamentele uitgangspunt van de onschuldpresumptie. Hoe sterk mogelijke bewijzen – in de media – ook mogen lijken, vaststelling van schuld moet worden overgelaten aan de rechter. In juridische zin is Bin Laden dus als een onschuldig man overleden.

Berechting van een verdachte als Bin Laden brengt ook diverse moeilijkheden met zich mee. Procedures kunnen lang duren, er is de mogelijkheid van vrijspraak, de plaats van het proces kan een doelwit worden voor aanslagen, en we zouden zo nog wel even door kunnen gaan. Vanuit het verdedigingsstandpunt zal men zich zorgen maken over de rechten van de verdachte, zoals, bijvoorbeeld, het toepassen van ongeoorloofde dwang – foltering (denk aan waterboarding) – bij verhoren en het vinden van een onpartijdige rechtbank. Het zal niet verbazen dat in geval van berechting in Amerika de twijfels over een eerlijke en onpartijdige procedure nog zullen toenemen, wegens de enorme gevolgen van ‘9/11’ voor de Amerikaanse samenleving.

Deze bezwaren mogen echter niet de doorslag geven. Berechting moet het te allen tijde winnen van blinde wraak; anders is de (internationale) rechtsstaat ten dode opgeschreven. Bovendien kunnen bepaalde bezwaren van berechting worden ondervangen door goed na te denken over waar en hoe verdachten als Bin Laden berecht zouden kunnen worden.

Vanuit Nederland gaat de gedachte wellicht uit naar internationale berechting. Het Internationaal Strafhof (ICC), gevestigd in Den Haag, zou wat dat betreft een rol kunnen spelen, maar het heeft te lijden onder twee tekortkomingen. Het Internationale Hof heeft pas rechtsmacht over feiten gepleegd na 1 juli 2002, en kan dus niets beginnen met ‘9/11’ en andere terroristische aanslagen gepleegd voor 1 juli 2002. Daarnaast is terrorisme niet een van de misdrijven in het ICC Statuut. Behalve deze tekortkomingen zou het bovendien uitgesloten zijn dat de Amerikanen Bin Laden voor berechting aan het ICC zouden toevertrouwen. En het ICC huldigt zelf ook het standpunt dat nationale berechtingen voorrang hebben.

Hoewel we op dit moment dus weinig met het ICC hadden kunnen beginnen in geval van aanhouding van een levende Bin Laden, is zijn dood wel aanleiding om na te denken over een rol van het ICC in de toekomst bij de berechting van kopstukken van (internationale) terroristische organisaties. Daarvoor zijn twee belangrijke aanpassingen van het ICC Statuut nodig.

Ten eerste moet het misdrijf terrorisme in het Statuut worden opgenomen. Nederland heeft daartoe vorig jaar bij de diplomatieke conferentie in Kampala, Oeganda, al een voorstel ingediend. Dat voorstel is een goede basis voor verdere onderhandelingen. Het zal niet gemakkelijk worden om een voor ieder aanvaardbare definitie te vinden, maar terrorisme past qua aard en omvang redelijk goed bij andere misdrijven in het ICC Statuut.

Een tweede belangrijke aanpassing is dat – onder bepaalde voorwaarden – het ICC voorrang zou moeten krijgen bij de berechting van terrorisme. Internationaal terrorisme onderscheidt zich door een veelvoud aan pleegplaatsen, verspreid over meerdere landen. In geval van een levende Bin Laden zou berechting in New York voor de hand liggen, maar Londen, Madrid en nog andere plaatsen zouden hem natuurlijk ook graag voor de rechter ter verantwoording roepen. Indien Bin Laden in de VS berecht zou zijn, was het risico levensgroot geweest dat aanslagen buiten de VS niet of nauwelijks aandacht hadden gekregen. Een centrale en primaire rol voor het ICC heeft als voordeel dat het feitencomplex wel in volle omvang beoordeeld kan worden. Dat zou bovendien gebeuren door internationale rechters die met meer afstand de zaak kunnen beoordelen, waarmee kritiek van vooringenomenheid gepareerd kan worden.

Göran Sluiter is hoogleraar internationaal strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam.