Hoeveel walvissen er zijn? Tel de strandingen

Strandingen van walvissen en dolfijnen geven een beter beeld van hun diversiteit dan waarnemingen van levende walvissen.

De Amerikaanse bioloog Nicholas Pyenson bestudeerde de historische waarnemingen van walvissen, zowel levend als gestrand en dood, langs de kustlijn van acht verschillende gebieden. Nederland zat daar ook bij, omdat in ons land al bijna veertig jaar lang walvisstrandingen worden geregistreerd.

Pyenson, die vorige week verslag deed in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B, ontdekte dat het aantal verschillende walvissoorten dat aanspoelt groter is dan er in zee wordt waargenomen. Met name zeldzamere soorten stranden vaker dan dat ze zich levend laten zien. Zo zijn voor de kust van Ierland nog nooit spitssnuitdolfijnen gesignaleerd. Toch zijn er de afgelopen dertig jaar enkele gestrand. Strandingsgegevens geven daarom een betere indicatie van de totale walvissendiversiteit, vindt Pyenson.

Alleen voor kortere kustlijnen gaat de vuistregel niet altijd op. In Nederland werden bijvoorbeeld evenveel verschillende soorten aangetroffen op het strand als in zee. Op de Galapagoseilanden lag het aantal verschillende gestrande soorten zelfs lager.

Voor alle kusten, dus ook die van Nederland, geldt dat de walvissoorten die het meest stranden ook het vaakst levend worden gezien. In Nederland zijn dat bruinvissen en verschillende dolfijnsoorten. De grootte van een walvispopulatie kan dus net zo goed geschat worden aan de hand van strandingen. Omdat walvisstrandingen vaak over een langere perioden zijn geregistreerd, is het ook mogelijk de krimp of groei van een populatie door de tijd te volgen.

Tellingen op zee zijn arbeidsintensief en duur, schrijft Pyenson. Bovendien is het nooit mogelijk het complete leefgebied van een groep walvissen te bestuderen. Stranden ‘bemonsteren’ walvispopulaties daarentegen op natuurlijke wijze. Het inventariseren van gestrande walvissen door vrijwilligers is niet alleen goedkoper maar ook veel eenvoudiger.

Pyenson hoopt dat fossiele resten gebruikt kunnen worden om de prehistorische soortenrijkdom van walvissen in kaart te brengen. (NRC)