Historische vergelijkingen

Opdat het kwaad schrikk’lijk zal ondergaan... Onwillekeurig flitsten deze woorden mij door het hoofd bij het nieuws dat de Amerikanen ten langen leste hebben afgerekend met terroristenleider Bin Laden. President Obama sloeg bij de bekendmaking ervan een zakelijke, niet triomfalistische toon aan, maar een triomf is het: ...slaat dood’lijk toe en snel,/ opdat het kwaad schrikk’lijk zal ondergaan... woorden uit het verzetsgedicht Rebel, mijn hart van Jan Campert.

Allerlei op zichzelf belangrijke vragen (was er geen berechting mogelijk geweest, is de dreiging van terroristische wraakacties acuut, wat is de rol van Pakistan, enzovoort) bleven wat mij betreft even op de achtergrond om de symbolische betekenis van Obama’s boodschap des te beter tot me te laten doordringen. Het kwaad mag dan onuitroeibaar zijn, het kan en moet bestreden en vergolden worden.

Vandaar, ongetwijfeld, dat ik moest denken aan de regel van Campert. Daar gaat tenslotte morgen ook onze dodenherdenking over, hoewel er in Nederland sluipenderwijs een politiek klimaat is ontstaan waarin een dergelijke associatie als verwerpelijk moralisme wordt weggehoond. Ik heb de indruk dat ons dezer dagen twee geboden worden ingeprent.

1. Gij zult niet moraliseren en dus geen onderscheid maken tussen goed en fout bij de herdenking van onderdrukking en verzet, want het kwaad schuilt in ons allen.

2. Gij zult zich niet bezondigen aan historische vergelijkingen die de waarden van het verzet tegen het fascisme van toepassing verklaren op de noodzaak hedendaags rechts-extremisme te veroordelen, want dit is de gedoogcoalitie een gruwel.

Ter illustratie van het eerste gebod zijn wij getrakteerd op een filmportret van zes Nederlandse vrijwilligers van de Waffen-SS door documentairemaker Joost Seelen dat maandag door de NCRV werd uitgezonden. Ik heb, voor de goede orde, geen bezwaar tegen de documentaire. Alleen is het moment van programmering nogal eigenaardig. De impliciete krenking van de slachtoffers van de SS zal daarbij geen opzet zijn geweest. Wel de strekking: over goed en fout wil documentairemaker Seelen geen uitspraken doen. „Uiteindelijk betreft het ook gewone mensen”, zegt hij in Trouw. „Door het stempel ‘fout’ zet je mensen zover van jezelf af, dat je er niets mee te maken hebt.” In de Volkskrant maken medewerkers aan de documentaire Seelen vervolgens het verwijt dat deze houding nog te genuanceerd is. Het verhaal van de oud-nazi die met een ploertendoder Joden in elkaar sloeg en daar nog steeds achter staat, zou „ouderwets het beeld bevestigen dat deze mensen diep fout waren”, terwijl men juist moet proberen „afstand te nemen van het idee dat deze mensen een foute keuze hebben gemaakt”. De documentaire is volgens deze medewerkers achteraf niet „vernieuwend” genoeg wegens een „vertroebelend” moreel oordeel.

Mijn conclusie is dan, dat niet alleen het kwaad, maar ook het onbenul bestaat. „Gewone mensen” – wie dat ook mogen zijn – kunnen altijd ook een andere keuze maken. Zelfs hedendaagse televisiemakers. Men had in deze meidagen ook de documentaire kunnen herhalen van Toni Bouman uit 1990 over Willem Arondéus, want bij het gedoe over de naar hem genoemde lezing wist nauwelijks iemand te vertellen wie Arondéus was. In zijn afscheidsbrief uit 1943 schreef de op 48-jarige voor het vuurpeloton gestelde verzetsman: „Wij zullen morgen rechtop en zonder blinddoek sterven.” Zijn biograaf Rudi van Dantzig tekende op wat Arondéus op het laatst tegen een vertrouwenspersoon zei: „Vertel na de oorlog dat homo’s niet minder moedig hoeven te zijn dan andere mensen.” Het heeft echter tot 1984 geduurd voor de Nederlandse autoriteiten hem op aandringen van familie postuum het Verzetsherdenkingskruis wilden toekennen. Waarom? Omdát hij homo was. Ook in het naoorlogse Nederland bleven homoseksuelen decennialang een gediscrimineerde en geminachte bevolkingsgroep. Het was dus nooit vanzelfsprekend dat de waarden van het verzet na de Bevrijding geëerd en gedeeld werden, het herdenken is altijd een gevecht tegen vooroordelen en onverdraagzaamheid gebleven. En dat is het ook vandaag.

Daarom zijn de bezweringen dat wij ter wille van de zuiverheid van het debat geen vergelijkingen tussen toen en nu mogen maken, zo misleidend. Het discrimineren van en haat zaaien tegen minderheden, waar de PVV zich schuldig aan maakt met botte propaganda, is in overeenstemming met de propagandavoorschriften van de nazi’s uit de jaren dertig.

Onlangs las ik de reportages die schrijver Albert Helman in Spanje maakte tijdens de burgeroorlog. De Franco-fascisten waren, schreef Helman, in de leer gegaan bij de Italiaanse en Duitse fascisten inzake propagandamethoden. „Zij weten, dankzij de ervaringen van de heren Goebbels en consorten, dat geen dwaasheid te dom en geen demagogie te grof kan zijn om onaanvaardbaar te wezen voor de massa. Hoofdzaak is dat men zo primitief mogelijk te werk gaat, niet aan het verstand, maar aan de ongecontroleerde instincten appelleert, en één en dezelfde frase lang genoeg en met stijgend aplomb herhaalt. Dat maakt altijd indruk en er blijft altijd wat van hangen.”

Op mij maken deze woorden een akelig actuele indruk.