Groeien op straffe van politieke onrust

Het is al lang geleden dat de hoofdartikelen van de invloedrijke Amerikaanse krant The Wall Street Journal het idee van onpartijdigheid hebben laten varen. Maar de jongste aanval op het economische beleid van de Democratische president Obama snijdt hout. Hoe kan het, vraagt de krant zich af, dat de Amerikaanse economie in het eerste kwartaal maar met 1,8 procent op jaarbasis groeide, terwijl er zo veel stimuleringsbeleid tegenaan is gegooid? Nog los van de steun aan de financiële sector is de optelsom inderdaad indrukwekkend: 168 miljard dollar aan stimuleringsmaatregelen in de nadagen van president Bush, gevolgd door 814 miljard dollar onder Obama. Het gaat om steun aan de auto-industrie, tweemaal kwantitatieve stimulering door de centrale bank, met 600 miljard als jongste storting en een rente die al 28 maanden op vrijwel nul staat.

Tijdens vorige perioden van herstel na een zware recessie bedroeg de economische groei twee jaar lang rond de 4 procent. Nu zwakt de groei juist af, terwijl het begrotingstekort volgens de OESO is opgelopen tot 9 procent en de werkloosheid nog steeds boven de 8 procent bedraagt. Is dit het failliet van het keynesiaanse stimuleringsbeleid? Keynesianen als de Nobelprijswinnaar Paul Krugman wijzen erop dat er wellicht niet genoeg is gedaan. Daar kunnen ze gelijk in hebben, maar de ruimte voor méér stimuleringsbeleid is eigenlijk verdwenen.

Dat is niet allemaal Obama’s schuld. Bush had het tekort al uit de hand laten lopen, zodat de uitgangspositie ronduit slecht was toen de kredietcrisis uitbrak. Maar het leven is hard. Een president heeft een jaar de tijd om de problemen te wijten aan zijn voorganger. Daarna zijn ze van hem.

De 1,8 procent groei over het eerste kwartaal werd afgelopen vrijdag bekendgemaakt. Europa moet er nog anderhalve week op wachten: pas eind volgende week wordt duidelijk hoe de economie het hier deed. Analisten voorspellen gemiddeld een kwartaalgroei van tussen de 0,4 en 0,5 procent. Dat komt op jaarbasis neer op 1,8 procent. Dat vinden we in Europa helemaal niet zo slecht.

Die Europese groei is bereikt met een begrotingstekort dat in de eurozone gemiddeld de helft bedraagt van het Amerikaanse, en de werkloosheid is hier even hoog. De staatsschuld in de eurozone is tussen 2007 en 2011 gestegen met 25 procentpunt, tegen een toename van 36 procentpunten in de Verenigde Staten. De centrale bank hield de rente 1 procentpunt hoger dan de Amerikaanse, en gooide er slechts eentiende van de Amerikaanse monetaire stimulering tegenaan (72 miljard euro aan obligatieaankopen). Europa heeft daar bovenop te maken met een fikse schuldencrisis in de zuidelijke landen en heeft de euro intussen alleen maar zien aansterken, terwijl de dollar verzwakt is.

Is de sterk keynesiaanse aanpak van het team van Obama dus mislukt? Het begint er inderdaad op te lijken. Het gaat het Republikeinse kamp kennelijk te ver om het socialistische Europa als voorbeeld te nemen van hoe het wél had gemoeten. En de vraag blijft hangen waarom wij hier best blij zijn met 1,8 procent economische groei, en de Amerikanen dat juist als teleurstellend zien.

Dat kan te maken hebben met het sociale vangnet dat in de VS nagenoeg ontbreekt. Recessies mogen niet. Groei van economie en werkgelegenheid zijn van levensbelang als de afgrond voor de burger het alternatief is. Verplichte hoge economische groei als voorwaarde voor maatschappelijke en politieke rust. Waar kennen we dat van? In dit opzicht lijkt Amerika tegenwoordig meer op China dan het lief is.

Maarten Schinkel