Een amorf en versnipperd geheel, maar wel zeer bedreigend

Het was geen toeval dat Osama bin Laden juist in Pakistan aan zijn eind kwam. Daar bevinden zich naar wordt aangenomen al sinds de Amerikanen Afghanistan binnenvielen in 2001 de meeste strijders en de leiding van Al-Qaeda in de regio. Vorige zomer nog wees de Amerikaanse regering Pakistan – naast Jemen – aan als het land waar de aanwezigheid van Al-Qaeda het grootste risico vormde.

Deskundigen houden de omvang van Al-Qaeda in Pakistan op enkele honderden strijders, terwijl nog maar een paar dozijn in Afghanistan actief zou zijn. De meesten van hen zitten in de onherbergzame gebieden tussen Pakistan en Afghanistan met hun poreuze grens. Ze opereren vaak nu eens in Pakistan, dan weer in Afghanistan, zoals het hun uitkomt.

Het is een vrij amorf geheel. Iedereen die dat wil kan zich aansluiten bij Al-Qaeda. Volgens de Pakistaanse journalist Shyed Saleem Shahzad, die een boek schrijft over Al-Qaeda in Pakistan, zijn er 17 Arabische groepjes actief in de tribale grensgebieden, waarvan sommige deel uitmaken van Al-Qaeda. Volgens hem wil Al-Qaeda zijn eigen invloed ten koste van die van de overheid vergroten. Ze doen dat onder meer door stamoudsten die met de regering samenwerken te elimineren.

Het aantal terreuraanslagen in de grensgebieden in het noordwesten van Pakistan groeide volgens de Amerikanen tussen 2005 en 2009 van 16 naar 940. Aanslagen op doelen in Pakistaanse steden komen vaak voor rekening van de Pakistaanse terreurorganisatie Lashkar-e-Taiba, ook verantwoordelijk voor de aanslagen in het Indiase Mumbai van 2008.

Van een strak georganiseerd centraal commandocentrum, dat een decennium geleden zelf op afstand de regie in handen had van grootscheepse terreuraanslagen in westerse landen, is bij Al-Qaeda allang geen sprake meer. Onder druk van de aanhoudende aanvallen van de Amerikanen, onder meer met onbemande vliegtuigjes, is de organisatie gedecentraliseerd en versnipperd. Wel bevindt naar wordt aangenomen Bin Ladens nummer twee, Ayman Al-Zawahiri, zich nog ergens in Pakistan.

Vaak gaat het tegenwoordig om eenlingen die na een korte training op een doel worden afgestuurd, al dan niet voor een zelfmoordactie. Eén man, één bom, zoals dat wel wordt genoemd. Zo ging het bij voorbeeld met een Amerikaan van Pakistaanse afkomst die vorig jaar een bom op Times Square tot ontploffing probeerde te brengen.

Hoewel Al-Qaeda zelf betrekkelijk klein is, vergroot zij haar slagkracht door nauw samen te werken met andere militante islamitische organisaties in de regio zoals de Talibaan, Lashkar e-Taiba, het Afghaanse Haqani-netwerk en de Pakistaanse organisatie Jaish-e-Mohammed.

De laatste tijd lijken ze zich graag in de bergachtige Afghaanse provincies Kunar, Nuristan en Nangahar te nestelen. De Amerikanen hebben zich grotendeels uit die gebieden teruggetrokken, waardoor er een soort vacuüm is ontstaan waarin Al-Qaeda en andere groepen zich thuis voelen. Amerikaanse militairen en inlichtingenspecialisten stellen overigens dat de terreurdreiging van deze nauwelijks gewortelde cellen nog niet erg groot is. Af en toe voeren ze weer acties uit in het gebied „om gras te maaien”, zoals een generaal het pas in de Wall Street Journal omschreef.

Volgens Thomas Ruttig van het Afghan Analysts Network, een denktank in Kabul, lijkt er sprake van een taakverdeling. Al-Qaeda richt zich op acties tegen verre, westerse doelen, terwijl de andere terroristische groepen meer regionaal of nationaal zijn gericht. Had Al-Qaeda tien jaar geleden nog een stevige invloed op de Talibaan, inmiddels zijn de Talibaan niet meer afhankelijk van Al-Qaeda. Er zitten ook geen Arabieren in de leiding.