Dood is Osama goedkoper dan levend

De gisteren gedode Bin Laden was als terrorist al lang over zijn hoogtepunt heen.

Sterker nog: Al-Qaeda heeft meer aan een dode Bin Laden dan aan een levende.

Osama bin Laden was bij leven al een mythe en ook dood zal hij moslimextremisten waar ook ter wereld inspireren. Sterker nog: zij hebben mogelijk meer aan een dode Bin Laden dan aan een levende, zeker nu het martelaarschap het werk is van de zo verfoeide Amerikanen. Ook het Witte Huis lijkt dat te beseffen: van triomfalisme, zoals bij de arrestatie van Saddam Hussein in 2003, was gisteren beduidend minder te merken.

In het Westen werd de dood van Bin Laden gisteren uitgelegd als de afsluiting van een hoofdstuk, dat begon met de aanslagen van 11 september 2000. Maar eigenlijk was het al min of meer gesloten: operationeel betekende Bin Laden al langer niet zo veel meer. De aanslagen in New York en Washington waren voor hem een hoogtepunt, maar tegelijk betekenden ze het einde van zijn vrijheid om grote terreuroperaties te organiseren. Hij verloor zijn vrijhaven in Afghanistan, werd permanent doelwit van een Amerikaanse klopjacht. Belangrijke medewerkers werden geliquideerd of opgepakt en konden niet meer worden vervangen.

De bijkantoren van Al-Qaeda gingen door. Afdelingen elders in de islamitische wereld verzelfstandigden zich en namen in Bin Ladens naam het operationele werk over. Zozeer zelfs dat de Amerikaanse autoriteiten het filiaal in Jemen vorig jaar als gevaarlijkste bedreiging bestempelden – en niet meer de centrale organisatie die zich in Pakistan verschool.

Bin Laden was ook voor islamitische burgers – uitgezonderd extremisten die per definitie een kleine minderheid vormen – steeds minder relevant geworden. Direct na de aanslagen in New York was de terroristenleider volgens peilingen vrij populair in islamitische landen, van Pakistan tot Egypte tot en met Mauretanië. Hij werd bejubeld als de man die tegen het arrogante Amerika ten strijde trok. De laatste paar jaar verschrompelde die populariteit bijna overal, behalve, om onduidelijke redenen, in Nigeria.

De burgers vervloekten de terreur die hunzelf aanzienlijk meer schade berokkende dan westerlingen. De laatste grote aanslagen uit naam van Bin Laden in het Westen – in Madrid in 2004 en Londen in 2005 – kostten in totaal 250 mensen het leven. Maar in Afghanistan, Pakistan, Irak en Saoedi-Arabië vielen sinds 2001 duizenden doden bij aan Al-Qaeda toegeschreven aanslagen. Ook in Irak, waar Al-Qaeda een gruwelijk huishield, is Bin Laden niet populair.

Eigenlijk was Bin Laden voor zijn eigen organisatie een blok aan het been geworden. Uit zijn schuilplaatsen kwamen alleen nog, sporadisch, video- en audioboodschappen die weinig meer te maken hadden met zijn grote strijd – de heilige oorlog tegen de westerse bezetting van islamitisch land. Zijn laatste verklaringen gingen over de ontvoering van Franse toeristen door het filiaal van Al-Qaeda in de Maghreb. Zijn schuilplaats en zijn bewaking kostten de mujahedeen intussen wel handenvol geld, op te brengen uit donaties en criminele nevenactiviteiten, zoals ontvoeringen voor losgeld. Bin Laden de Martelaar is zo bezien aanzienlijk goedkoper. Zijn boodschappen staan op voorraad in computers en kunnen met een druk op de knop de wereld in worden gezonden.

Dat martelaarschap is ook waarvoor de Amerikaanse regering beducht is. Washington heeft geprobeerd hem onzichtbaar te maken, in de hoop dat hij hiermee ook onschadelijk wordt: tot dusverre geen foto’s van de dode Bin Laden om te bewijzen dat hij ook echt dood is, zoals altijd de gewoonte was. En ook geen graf dat een bedevaartsoord kan worden. Bin Laden, afkomstig uit de Arabische woestijnen, heeft een zeemansgraf gekregen. Daarbij zouden religieuze moslimrituelen in acht zijn genomen, zo lieten de Amerikanen gisteren niet na te benadrukken.

Hoe anders ging dat met Saddam Hussein in 2003. Die werd uitgebreid aan de buitenwereld getoond, verwilderd en wel. De publieke vernedering van de sterke man van Irak werkte averechts. De arrestatie, die een eind had moeten maken aan het geweld in Irak tegen het nieuwe gezag, joeg de opstand juist aan. Maar werkt het niet tonen van foto’s en beelden wel zoveel beter? „Hoe betrouwbaar is het nieuws?”, luidde een van de eerste vragen op jihadistische internetfora.

De gemiddelde reactie onder jihadisten is echter verdriet en woede, gekoppeld aan de belofte van wraak. „Osama is misschien gedood, maar zijn boodschap van Jihad zal nooit sterven. Broeders en zusters, wacht maar af, zijn dood zal veel goeds opleveren”, zo luidde gisteren een commentaar op internet.

Westerse autoriteiten vrezen daar ook voor. Een hoge Amerikaanse functionaris zei gisteren weliswaar tegen de BBC dat Bin Ladens dood Al-Qaeda „op een pad van neergang zal zetten dat moeilijk is terug te draaien”. Maar Leon Panetta, de directeur van Amerikaanse inlichtingendienst CIA, zei wraakacties te verwachten. De filialen van Al-Qaeda hebben geen levende Bin Laden nodig om zich te motiveren. Ze hebben eigen, welbespraakte ideologen die op Bin Ladens theorieën verder bouwen. Zou de Jemenitische afdeling van Al-Qaeda Bin Ladens instemming hebben gevraagd voor de groep die in december 2009 de jonge Nigeriaan Umar Farouk Abdulmutallab uitzond om boven Detroit een Amerikaans passagiersvliegtuig op te blazen? Vast niet.