Amerika in overwinningsroes, even dan

Osama bin Laden confronteerde Amerikanen met hun zelfoverschatting.

Dat ongemakkelijke gevoel is nu weg – al zal dat niet lang duren.

De man die Amerika in het begin van de nieuwe eeuw met zichzelf confronteerde is niet meer. De man die ’s werelds grootmacht tot twee niet te winnen en onbetaalbare oorlogen aanzette. De man die spoorloos was sinds hij ontsnapte uit Tora Bora. De man die de Verenigde Staten een trauma bezorgde dat tien jaar na de aanslagen van 9/11 in het hele land, van Seattle tot Miami, bij de minste terreurdreiging nog altijd tot paniekreacties leidt.

Nu die man door Amerikaanse eenheden in zijn versterkte huis in Pakistan is gedood, zetten de VS een punt achter een van de zwaarste periodes uit hun moderne geschiedenis. Het was een periode waarin het land zo hard vocht tegen het kwaad van Osama bin Laden dat het tegen de grenzen van zijn politieke en financiële macht aanliep. De zelfoverschatting na de aanslagen in september 2001 ontwikkelde zich tot twijfel, tot nationaal chagrijn, tot een gevoel of er niet te winnen viel.

Dat is na zondagnacht, waarin president Obama even na half zes Nederlandse tijd de dood van Osama bin Laden bekendmaakte, natuurlijk niet voorbij. De oorlogen in Irak en Afghanistan hebben tot nu toe 1.300 miljard dollar gekost; een kleine 10 procent van de nationale schuld. Ze zijn geen van beide afgesloten. En tien jaar na 9/11 gunnen de VS de terreurverdachten op Guantánamo Bay in Cuba nog steeds geen strafproces. Obama probeerde er verandering in te brengen – maar het Congres, opgezweept door ongeruste burgers, wilde er niets van weten.

Zo zwaar raakte het trotse Amerika door Bin Laden getraumatiseerd dat het zijn „eigen waarden ging verloochenen’’, zoals Obama in de campagne van 2008 zei.

Paradoxaal genoeg nam Obama daarna als president bijna het gehele antiterreurbeleid van zijn voorganger Bush over. Ook hij werd gedreven door de angst voor een nieuwe aanslag – en de vrees dat die hem zijn herverkiezing zou kosten.

En zo bleef de CIA mensen zonder dagvaarding ontvoeren (zogenoemde renditions) en op geheime locaties ‘verhoren’. Wat Bin Laden bij Bush teweegbracht, dat bracht hij ook bij Obama teweeg: de angst voor de Al-Qaeda-leider was sterker dan het geloof in de eigen waarden.

Intussen hadden Amerikanen de afgelopen tien jaar nauwelijks iets van terrorisme te duchten. Er waren genoeg bijna-aanslagen met bijbehorende taferelen van angst en paniek – in New York, Detroit, Los Angeles. Maar de grote klap waarop het land zich voorbereidde, bleef uit. Die werd uitgedeeld in Londen, Madrid, Mumbai. Voor Amerikanen was het voornaamste praktische gevolg van de Oorlog tegen Terreur de groeiende populariteit van de veterloze schoen – om de eindeloze veiligheidscontroles op vliegvelden zo snel mogelijk te doorlopen.

Een vraag is of het land de komende periode die grote klap alsnog te verwerken krijgt – als vergelding voor de actie van gisteren. Dat weet natuurlijk (bijna) niemand. Maar wat wel vaststaat is dat Amerika zich hier de komende dagen zeer intensief mee bezig gaat houden. Na de persconferentie van president Obama waarschuwde het ministerie van Buitenlandse Zaken al voor reizen in landen waar „door recente gebeurtenissen” minder gunstig over de Verenigde Staten wordt gedacht. Er werd ook in het binnenland opgeroepen tot extra waakzaamheid. Nog een blijvende erfenis van Bin Laden.

Intussen is de dood van de Al-Qaeda-leider uiteraard goed nieuws voor het nationale aanzien van Obama. Wat Bush in acht jaar niet lukte, lukte hem in twee jaar wel. En dat is niet alleen geluk: op initiatief van de president kozen de VS voor een actievere militaire rol in Pakistan, vooral via de buitenlandse inlichtingdienst, de CIA. Obama pleitte daar al voor in de campagne, en hij kan in dat opzicht nu zijn gelijk claimen.

Obama had tot nu toe moeite zijn rol als bevelhebber van de strijdkrachten waar te maken. Hij zou slap zijn, het zou hem aan strijdlust ontbreken. Vooral in de besluitvorming over de oorlog in Afghanistan bleek dat hij niet tegen de generaals op kon. De populaire generaal David Petraeus legde hem zijn wil op. Hij dwong af dat tienduizenden extra manschappen naar Afghanistan werden gestuurd, hoewel achteraf is vast komen te staan dat de president daar weinig voor voelde.

Door de vangst van Bin Laden is het onwaarschijnlijk dat een dergelijke situatie zich nog eens voordoet. Vanaf nu is Obama de onbetwiste bevelhebber, en wordt het voor generaals een stuk riskanter zich tegen hem te keren. Het kan grote gevolgen hebben. Alles wijst erop dat de president vanaf komend najaar wil beginnen met substantiële troepenterugtrekkingen uit Afghanistan. En daar zal geen generaal nu nog een stokje voor kunnen steken.

Maar eerst mag Amerika zich nu laven aan het overwinningsgevoel – eindelijk, na al die jaren. Het nieuws kwam zondag zo laat op de Amerikaanse avond dat de meeste Amerikanen er maandagmorgen mee wakker werden. Het hoeft niemand te verbazen dat de feestjes in Washington en New York gisteren een grootschalig gevolg kregen. Amerika voelt zich bevrijd.

De vraag is vervolgens hoe lang het zal duren voordat de beelden van de bebaarde Saddam Hussein worden getoond, vlak na diens arrestatie in 2005. Die aanhouding („We got him”) werd ook gevierd als grote Amerikaanse overwinning, waarna het land langzaam moest ontdekken dat het in de Iraakse oorlog bar weinig uitmaakte.

Het is lang niet uitgesloten dat de VS in Afghanistan (en Pakistan) eenzelfde ervaring op zullen doen. Het is de les die de Amerikanen, zij het langzaam, hebben moeten leren van hun avonturen in het Midden-Oosten sinds 9/11: wat goed nieuws is voor de Verenigde Staten, wordt in de landen die zij willen bevrijden lang niet altijd zo beleefd.