Vreemde veugel, die buitenwipper

Jan Vantoortelboom schreef een hoopvol debuut.

Hij schakelt tussen platheid en intimiteit, maar moet het wel meer van zijn stijl dan van plotopbouw hebben.

Het zijn de fraaie, suggestieve zinnen die Jan Vantoortelbooms De verzonken jongen uittillen boven het niveau van het gemiddelde debuut. Kijk hoe hij de noodlottige schoonheid van Lora Vanheule, begin twintigste eeuw een allerbegeerlijkst meisje in de West-Vlaamse boerengemeenschap Elverdinge, bij de lezer presenteert, wanneer zij op een zondag in de kerk haar gouden keeltje opentrekt. ‘De mensen die naast haar zaten gingen almaar stiller zingen, of hun stemmen stokten zelfs volledig, uit schaamte, omdat ze het gekweel van hun eigen geluid niet langer konden verdragen.’ Een rijk beeld, dat niet alleen de perfectie van Lora laat zien, maar ook meteen toont hoe de rest van het dorp eronder gebukt gaat.

Nog beter gaat het bij de tekening van Lora’s broer Victor, een potige maar onvoorspelbare jongen die niet had misstaan in een roman van Jan van Mersbergen. ‘Er was iets aan Victor dat hij niet kon doorgronden. Die wilde blik in zijn ogen, die brute klop van de bijl, die soepele, onbevreesde houding als hij de stieren naar binnen joeg.’ Dit is al erg goed geschreven, maar het effect wordt nog eens vergroot doordat de ‘hij’ in bovenstaand citaat niemand minder dan Victors vader is: zelfs de man die Victor verwekt heeft en opvoedt, weet niet wat er in de jongen huist.

Vantoortelboom slaat in zijn portrettering van de Vanheules in feite een generatie over en laat Victors kleinzoon Stoffel de familiegeschiedenis onderzoeken. Stoffel groeit jaren zeventig, jaren tachtig op in het zelfde Elverdinge en vermoedt dat er achter het leven van zijn inmiddels bejaarde opa een schandaal schuilgaat.

Dit vermoeden wordt alleen maar groter wanneer opa zich op een dag verhangt en gevonden wordt door zijn zoon, Stoffels vader dus. Stoffel vertelt: ‘Zo had hij hem dan gevonden, hangend als de stijve, loodzware slinger van een staande klok in rust, aan krakende spanten. Hij zou de blauwe tong nooit vergeten, zei hij tegen moeder toen hij dacht dat ik ver genoeg weg stond om het niet te horen.’

Vantoortelboom heeft vooral zijn stijl mee. Op andere vlakken moet hij nog rijpen, want twee cruciale passages met Victor zijn gemakzuchtig of ongelukkig geconstrueerd. Wanneer Victors bom barst verneemt de lezer dat achteraf uit derde hand, wat na een zorgvuldige spanningsopbouw een teleurstellend effect heeft. Ook het moment waarop Victor de boodschap verneemt dat zijn grote liefde met een ander zal trouwen, werkt hij niet bevredigend uit en maakt een wat afgeraffelde indruk.

Vantoortelboom lijkt met dit soort scènes, die werkelijk tonen wat een schrijver allemaal in huis heeft, nog niet helemaal uit de voeten te kunnen. Hij kiest in beide gevallen voor een kale, uiterlijke beschrijving terwijl het boek op die momenten schreeuwt om Victors psychologische invulling.

De verzonken jongen is ondanks deze omissies een hoopvol debuut. Vaardig schakelt Vantoortelboom tussen volkse platheid (vol stront en ‘grote tetten’) en een bijna lieflijke intimiteit die hij de lezer toefluistert en die aan zijn Vlaamse voorganger Louis Paul Boon doet denken.

De vedette in dit opmerkelijke boek is Victor, een moedig maar bruut man uit de tijd dat sterke mannen geen poëziebloemlezingen op de markt brachten, maar gewoon ‘buitenwipper’ (portier) werden van cafés die namen droegen als ’t Pompkot. In de Eerste Wereldoorlog een ‘vreemde veugel en de enige volontair da’k kende die die miserie wilde meemaken’, zoals een oud-soldaat hem hem herinnert, na de Grote Oorlog iemand die zijn draai niet meer vindt en uiteindelijk aan krakende spanten eindigt.

Jan Vantoortel-boom: De verzonken jongen. Contact, 301 blz. € 21,95