Bejubelde dode

Het liefst word ik ’s morgens zeer geleidelijk, dus zonder al te grote schokken, wakker. Zo ook vanmorgen.

Ik probeerde een of andere rare droom te bevatten, maar Freud schoot opnieuw tekort, ik kauwde wat na op de belangrijkste gebeurtenissen van de vorige dag (William en Kate niet op huwelijksreis, Ajax of FC Twente nog niet kampioen). Daarna zette ik geërgerd de wekkerradio af waarop een katholieke geestelijke uitlegde dat paus Johannes Paulus II nog twee medische wonderen nodig had om heilig verklaard te worden. Hij deed alsof dat nog een hele toer was, maar als ik me goed herinner verrichtte Jomanda destijds twintig van zulke wonderen op één dag – dus waar maken ze zich in Rome druk over?

Het was tijd voor de andere ochtendrituelen, waarover ik geen verdere details zal prijsgeven. Daarna zette ik de tv aan. „Geen nieuws”, zei ik nog tegen mijn vrouw die de stofzuiger al had aangezet – hét slechte nieuws van elke morgen.

Toen viel die naam. Hij valt elke week wel een paar keer, dus je slaat er geen acht op. Het was zoiets als ‘Mark Rutte’ of ‘Johan Cruijff’ of ‘Bram Moszkowicz’ geworden – namen waarvoor je bijna immuun bent.

Het geluid van de tv stond zacht, ik verstond niet goed wat er gezegd werd, ik zag zijn fotootje, er verschenen enkele archiefbeelden en opeens begreep ik dat hij dood was, zomaar piefpaf doodgeschoten. Ik klopte wat beschuitkruimels van mijn bloes en riep door het huis de woorden die hierbij als historisch kunnen worden opgetekend: „Zet even die stofzuiger af.”

Heroïsch nieuws tegen een weinig heroïsche achtergrond, maar zo gaan die dingen. Ik kon me troosten met het feit dat ook onze minister van Defensie, Hans Hillen, erdoor verrast was. „Wist u ervan?” vroeg een journalist. „Nee, ik hoorde het van een collega van u”, zei de minister zuinigjes. Hij had er begrip voor dat de president zélf hem niet vooraf gebeld had, maar hij had vermoedelijk wel verwacht dat zijn ministerie hem achteraf even had ingelicht – waar had hij anders al die voorlichters voor?

Daar zal op het ministerie nog menig pittig woordje over gewisseld worden. Hillen: „Wie had er vanmorgen dienst?” Secretaris-generaal: „Niemand. We waren nog allemaal moe van Koninginnedag.” Hillen: „Ik eis dat voortaan elke nacht iemand opblijft om CNN te volgen. Het kan toch niet zo zijn dat de minister van Defensie van een journalistje moet horen dat de gevaarlijkste man op aarde is uitgeschakeld? Of zijn ze bij Voorlichting soms ook allemaal een café in Den Bosch begonnen?”

Ook in de tv-studio moest vanmorgen hevig geïmproviseerd worden. Gelukkig zijn er ‘deskundigen’ die, hun uitputtende wetenschappelijke arbeid ten spijt, altijd tijd hebben om onmiddellijk naar de studio te stormen. Hans Jansen, de arabist, is zo iemand. Tv-studio’s en rechtszalen: Hans doet niets liever. Hij zat er vanmorgen wel weer bij als iemand die te zwaar getafeld had. Er kon geen blij lachje af. Misschien had hij er de pest in omdat Obama in zijn rede gezegd had dat „we niet in oorlog zijn met de moslims”. Dat moet je niet tegen Hans zeggen, die is altijd in oorlog met de moslims, het is zijn lust en zijn leven.

U zult misschien gemerkt hebben dat ik de naam van de bejubelde dode nog steeds niet genoemd heb. Het leek me niet nodig, u zult die naam nog vaak genoeg horen. Alleen de namen van de grote moordenaars leven voort, denk ik wel eens.