1 voorwiel = 0,2 gram smack en 1 pak hopjesvla

Omdat ik me toch op een bepaalde manier door de stad moet bewegen, bezit ik een fiets. Nu vind ik fietsen in hartje Amsterdam als activiteit niet bijzonder prettig, met de trams, taxi’s en hordes zombieachtige toeristen die je moet ontwijken („must… go… to… next… coffeeshop… now…”). Het grootste probleem met een fiets in de

Omdat ik me toch op een bepaalde manier door de stad moet bewegen, bezit ik een fiets. Nu vind ik fietsen in hartje Amsterdam als activiteit niet bijzonder prettig, met de trams, taxi’s en hordes zombieachtige toeristen die je moet ontwijken („must… go… to… next… coffeeshop… now…”). Het grootste probleem met een fiets in de stad is echter: waar laat je hem?

Op zoek naar een deugdelijke fietsparkeerplek moet er altijd eerst een paal, boom of hek gevonden worden zodat je het slot daar aan vast kan maken – zoals bij meer stedelingen is mijn fiets een wrakkig exemplaar, met een scooterslot eromheen dat drie keer zoveel waard is als de fiets zelf.

Het idee dat je een fiets gewoon ergens neer kan zetten en weg kan lopen zonder hem op slot te doen, stamt waarschijnlijk uit fabelwerelden zoals Troetelbeertjesland en Ruurlo. Mij is geleerd mijn fiets altijd op twee sloten te doen – het kettingslot door frame én voorwiel, want als het voorwiel wordt vergeten, is de kans groot dat je de fiets terugvindt met een briefje op het zadel waarop staat ‘1 VOORWIEL = 0,2 GRAM SMACK EN 1 PAK HOPJESVLA DANKJEWEL HE’.

Zeker in het centrum van de stad is het lastig een plekje te vinden: de meeste lantaarnpalen, grachtenbruggen of levende standbeelden zijn al bezet en vastgeketend aan kluwen fietsen.

Bij het station staat een gebouw om het fietsparkeerprobleem wat te verlichten: de fietsflat. De fietsflat heeft meerdere verdiepingen met dubbele fietsenrekken langs de randen.

Een ander kenmerk is dat deze flat alle levensvreugde uit je ziel zuigt. Elke verdieping is steevast tjokvol, en je zou je fiets eerst moeten insmeren met motorolie om hem in de kieren die nog over zijn te wurmen. Toch loop je door, langs die eindeloze rijen fietsen, speurend naar een vergeten plekje. Uiteindelijk vind je dan toch iets, linksbovenschuinachter, waar je hem opgelucht achter laat.

Maar als je terugkomt, begint het pas. Want: waar stond hij ook alweer? O, hoe vaak ik al twijfelend langs de rijen fietsenkontjes liep terwijl ik zadels en stangen inspecteerde, in een poging mijn fiets terug te vinden. Al heen-en-werend passeer je zeker drie radeloze lotgenoten, waarmee je tips, trucs en veldflessen vers water deelt.

Natuurlijk zou ik mijn fiets kunnen behangen met slingers neprozen, ik zou hem neonpaars kunnen spuiten of een enorme Tweety-bel kunnen nemen. Liever hoop ik dat deze uitvinding snel in de winkel ligt (patent is bij mij te koop): de bliepbliep-sleutel. Of een pakkender naam, uiteraard. In ieder geval: een slot dat van een afstand opengaat, onder begeleiding van bliepjes en oplichtende koplampen.

Zo zal je – zelf als je dronken bent, het pikdonker is of je fiets in een zee van andere fietswrakken staat - direct je eigen fiets herkennen. Een luxe. Zo wordt het nog wel wat, met de fiets.