Muziek in de Koninginnenacht: Panic please!

Tachtig muzikanten, gewend aan een partituur en een dirigent, spelen samen met een rockband: het Concertgebouworkest en Patrick Watson. Er is sprake van gierende zenuwen.

Nederland, Amsterdam, 28-04-2011 Patrick Watson (achter de piano) met band repeteerd samen met het koninklijk concertgebouw orkest voor het koningninnenacht concert. Links dirigent Stefan Asbury. foto: Bram Budel
Nederland, Amsterdam, 28-04-2011 Patrick Watson (achter de piano) met band repeteerd samen met het koninklijk concertgebouw orkest voor het koningninnenacht concert. Links dirigent Stefan Asbury. foto: Bram Budel Bram Budel

Normaal gesproken verlopen de repetities in het Concertgebouw in Amsterdam kalm en ordelijk. Vandaag niet. Tussen de violisten bromt een versterker. Er staat een omgekeerde herenfiets op het podium. Overal liggen snoeren en effectpedalen. Maar bovendien: er is sprake van gierende zenuwen. Tachtig muzikanten die gewend zijn te spelen van partituur en een dirigent te volgen, werken vandaag voor het eerst samen met vier Canadese popmuzikanten. De popmuzikanten zijn Patrick Watson en zijn gelijknamige band, het orkest is het Koninklijk Concertgebouworkest.

Woensdag 27 april wordt er voor het eerst gerepeteerd. Vrijdagavond zal de uitvoering al volgen, dan vindt het ‘Koninginnenachtconcert’ plaats. Met een combinatie van klassieke stukken door het KCO. Liedjes door Watson en zijn band. Liedjes van Watson, begeleid door het orkest. Dat laatste heeft nogal wat voeten in de aarde. De arrangementen van de liedjes moesten worden aangepast, van een bezetting van vier naar een van vierentachtig. Er moest worden nagedacht over de elektrische versterking van zang en gitaren. En er werd een flink stuk aan het podium gebouwd.

Dat allemaal met de vraag: lukt het om de werelden van pop en klassiek bij elkaar te krijgen? Spreken de muzikanten dezelfde muzikale taal?

De vrijwilliger: Floris Kortie (24), bestuurslid van stichting Entrée, die zich inzet om meer jongeren te betrekken bij het Concertgebouworkest. „Naar Engels voorbeeld organiseerden we in 2008 voor het eerst een samenwerking van het orkest met een popband, toen met de Amerikaanse zangeressen CocoRosi. Het idee is dat het orkest een aantal zelfgekozen klassieke stukken speelt, en dat er wordt samengespeeld met de popmuzikant. Die eerste keer was een groot succes, dus we willen er een traditie van maken. Dat werd het Koninginnenachtconcert. Patrick Watson vonden we een geschikte kandidaat, omdat hij muzikaal niet eenkennig is. Voor dit speciale project hebben we voor de financiering aan ‘crowdfunding’ gedaan, via de site voordekunst.nl, van het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Dat leverde tot onze verrassing zo’n 7.000 euro op, giften van particulieren. In ruil daarvoor staat hun naam in het programmaboekje, en een aantal donateurs mag bij de eerste repetitie zitten.”

Terwijl dirigent Stefan Asbury zijn instructies geeft („Die violen moeten pijnlijker, alsof je met een mes in je arm snijdt”), gaat Patrick Watson in de zaal zitten. De pianist/zanger/liedjesschrijver, die de afgelopen jaren al optrad op Lowlands en Pinkpop, is hier sinds 2007 populair om zijn avontuurlijke liedjes. In zijn nummers maakt zijn hoge stem glijvluchten op de muziek van zijn drie bandleden, die losjes hun stijlen uitvoeren: knerpend als Tom Waits, of etherisch uitwaaierend. Watson is een charismatische performer. Hij speelt , even makkelijk met een band als alleen op een akoestische gitaar. Hij zegt dat hij al eerder met een orkest heeft gespeeld, maar nooit met een van het niveau als van het KCO: „Het is nogal intimiderend’’.

Watson en zijn bandleden zijn klassiek geschoold. „Ik wilde vroeger soundtrack-componist worden, of klassiek componist.’’ Hij buigt zich voorover en fluistert: „Ssst, ze spelen Debussy, mijn lievelingsmuziek. Het is een droom om dit van dichtbij te kunnen horen.” Bewonderend kijkt hij naar het samenspel van lippen, vingers, snaren, kleppen, toetsen, voeten en pedalen, dat onder leiding van Asbury samenvloeit tot een wervelende melodie.

Na de koffie staat het eerste liedje van Watson op het programma: ‘Beijing’. De band wordt begroet met applaus van het orkest. De weifelende song blijkt met het nieuwe arrangement veranderd in een mini-symfonie, waarin de zachte drumpartijen van drummer Robbie, langzamerhand worden overstemd door luid tegen elkaar in spelende strijkers. Dan volgt een uitbarsting van percussie, door dirigent Asbury aangemoedigd met: „Panic, please!”

De arrangeur: Jules Buckley, uit Londen, componist/arrangeur/dirigent bij onder andere het Metropole Orkest en zijn eigen Heritage Orchestra. „Voor het arrangeren van de liedjes van Patrick heb ik me eerst verdiept in zijn smaak. Toen ik hoorde dat hij geïnspireerd is door Debussy, besloot ik ‘Black Winds’ te arrangeren als een hommage aan Debussy en Ravel. Watson houdt ook erg van de filmmuziek die Carl Stalling in de jaren dertig maakte voor tekenfilms als Tom & Jerry. Dat hoor je terug in de slapstick-geluidseffecten in ‘Where The Wild Things Are’. Het KCO is een van de beste orkesten ter wereld, dus ik wil de muzikanten niet alleen maar lange noten laten spelen, zoals je wel eens hoort bij dit soort samenwerkingen. Ik doe soms rare dingen, zo blijft het voor de orkestleden avontuurlijk.”

Watson zit achter de vleugel, naast de violisten, hij kan de dirigent nauwelijks zien. Bij het tweede couplet staat hij op: „Het gaat niet!” Hij vraag om een extra speaker naast zich. Bij de volgende poging staat hij weer op. Hij trekt vertwijfeld zijn pet af. „Ik kan het ritme niet horen.”

Na kort overleg met de dirigent wordt het nummer in zijn geheel gespeeld. Daarna komt Watson van het podium en praat met de arrangeur en zijn bandleden. Het orkest oefent ondertussen ‘Parteitag’ van de eigentijdse componist Brett Dean, waarin wordt geëxperimenteerd met allerlei geluiden. Drie strijkers zwaaien met een felroze buis boven hun hoofd. Er klinkt spookachtig gesuis.

De dirigent: Stefan Asbury, uit Engeland, vanaf het najaar als chef-dirigent in Groningen, is nu voor de tweede keer gastdirigent bij het KCO. „Of Watson en ik dezelfde taal spreken? Absoluut niet. Jules, de arrangeur, zat tussen Patrick en mij in om te vertalen. Waar wij het hebben over ‘maat’, zeggen zij ‘sectie’, ze gebruikten steeds andere termen. Het kon net zo goed Swahili zijn. Het KCO heeft een aantal unieke kwaliteiten, zoals de wonderschone harmonieuze klank van de violen, en die willen we overeind houden. Ook in deze ongewone combinatie van muzikanten.”

Donderdagochtend om half tien begint de tweede repetitie. De piano is een halve slag gedraaid, zodat Watson dichter bij de dirigent en zijn eigen bandleden zit. Achter elkaar worden een paar van zijn liedjes geoefend. Bassist Mishka Stein staat wijdbeens in rock-pose voor zijn versterker; drummer Robbie Kuster speelt een klepperend ritme. In ‘Hommage’ laat Simon Angell zijn gitaar kermen als een zieke koe. In ‘Where The Wild Thing Are’ laat hij een ballon piepend leeglopen.

De celliste en de altviolist. Julia Tom: „Het gaat al beter dan gister.”

Jeroen Woudstra: „Struikelblok in de samenwerking tussen een orkest en een popband is het ritme. Popmuziek is live in ritmisch opzicht veel strakker dan een orkest. Want zij hebben een drummer die exact de maat aangeeft. Een orkest schuift een beetje met het ritme. We zijn afwachtend, we geven elkaar de tijd.”

Tom: „Dat heeft te maken met de akoestische weergave van een orkest. Tussen de blazers achterop het podium, en de violen, voorop, zit een geluidsafstand van wel een halve seconde. Een popband moet leren om niet direct te reageren op een aanwijzing van de dirigent, maar het een beetje uit te stellen. Wat dat betreft moeten we naar elkaar toe groeien.”

Patrick Watson stapt de zaal in en posteert zich, met zijn gezicht naar de zaal, voor het toneel, voor de orkestversie van ‘Man Under The Sea’. Achter hem staan elf blazers op een rij. Vorig jaar liep hij in de Amsterdamse popzaal Paradiso tussen het publiek door en kreeg met zijn onversterkte akoestische gitaar en zijn onversterkte stem toch de zaal stil. Ook nu zingt hij zonder microfoon, met alleen zijn opengevouwen handen om zijn mond, voor een galmend effect. Steeds weer klinkt zijn frase door de nog lege zaal: ‘Just me, the fish and the sea’.

Watson is nu duidelijk opgelucht. Na het nummer buigt hij zich naar arrangeur Jules Buckley: ‘It took a day of disaster to find each other’.

De popmuzikant: Patrick Watson. „Er is niets mooier dan tachtig mensen die met een instrument in hun handen zitten en met zijn allen hetzelfde doen. Dat is ontroerend om te zien en om te horen. Het is de grootst denkbare eer om te werken met dit orkest. Of ik zenuwachtig ben voor vrijdagavond? Gruwelijk. Nog erger dan anders. Doorgaans vangt de band het op als ik een fout maak. Als ik nu een fout maak, zet ik tachtig mensen op het verkeerde been.”

Hester Carvalho

Het Koninginnenachtconcert, 29/4 Concertgebouw, Amsterdam