Kernenergie hoort bij machthebbers

De vraag is niet of kerncentrales veilig zijn. De vraag is welke maatschappij we willen. Kernenergie leidt tot monopolie van de macht, betoogt Rob Wijnberg.

Heeft u het Kamerdebat over een tweede Nederlandse kerncentrale nog gevolgd? De verplichte oneliners in het achtuurjournaal gehoord? De obligate welles/nietes-sessies in Pauw & Witteman bekeken?

Ik niet.

Niet dat het onderwerp mij niet interesseert. Integendeel, de toekomst van onze energievoorziening is in mijn ogen het meest fundamentele vraagstuk van deze tijd. Maar je hoeft het debat allang niet meer te volgen om te weten wat er gezegd wordt. De grammofoonplaat draait al jaren rondjes in dezelfde groef.

Tel het aantal stralingsdoden, de hoeveelheid CO2-uitstoot en de prijs per kilowattuur bij elkaar op, zeggen voorstanders en je ziet dat kernenergie veruit de veiligste, duurzaamste en goedkoopste energie ter wereld is. Ja maar, zeggen tegenstanders, voeg daar de veiligheidsrisico’s, het kernafval en de investeringskosten aan toe, en je weet dat kernenergie veruit de gevaarlijkste, vervuilendste en duurste energiebron ter wereld is.

Allemaal even waar.

Dit pingpongspelletje kunnen we tot in lengte van jaren blijven spelen. Want de feiten zijn moeiteloos beide kanten op te redeneren. Vandaar ook dat de discussie erover nauwelijks invloed heeft op de publieke opinie: die golft heen en weer tussen een sporadische oliecrisis aan de ene kant en een sporadisch Tsjernobyl of Fukushima aan de andere.

Zo’n impasse is alleen te doorbreken met een grotere visie op de rol van energievoorziening in de samenleving als geheel. Maar dat is nu juist wat steeds ontbreekt: een fundamentele discussie over het soort maatschappij dat we nastreven en het energiesysteem dat daarbij hoort.

Volgens de historicus Leslie White is de gehele culturele evolutie te verklaren aan de hand van haar voornaamste energiebron. Toen de mens nog afhankelijk was van zijn eigen spierkracht, bleef het bestaan beperkt tot jagen en verzamelen in een tribale cultuur; toen hij energie leerde putten uit dieren, planten en hout kwam de overgang naar een agrarische cultuur, met bijbehorend feodaal stelsel; uiteindelijk heeft het grootschalig gebruik van kolen, olie en gas geleid tot de geïndustrialiseerde wereld waarin we nu leven.

Dit immense energiesysteem heeft het Westen een ongeëvenaarde welvaart gebracht, maar begint nu zijn keerzijdes te tonen. Kolen, olie en gas, goed voor ruim 85 procent van het energieverbruik, vormen namelijk de meest gecentraliseerde energievoorziening uit de geschiedenis, die niet toevallig – alle retoriek over ‘vrije markt’ ten spijt – correleert met een sterk gecentraliseerde wereldeconomie. Bijna 90 procent van de fossiele energiebronnen kan worden herleid tot een kleine vijfhonderd eigenaren.

De machtspositie die met zo’n gecentraliseerde energievoorziening gepaard gaat, kan dan ook moeilijk worden overschat. Energiemaatschappijen behoren tot de invloedrijkste bedrijven ter wereld. Ze beslissen mee over oorlogsstrategieën in olierijke regio’s, zoals Irak. Ze behoren tot de grootste inkomstenbronnen van Amerikaanse presidentskandidaten en Arabische dictators. Ze ontvangen miljarden aan subsidies, ze lobbyen tegen strengere energienormen en ze belonen bestuurders met miljoenenbonussen – vorig jaar nog, vlak na de grootste olieramp uit de geschiedenis, voor ‘succesvol veiligheidsbeleid’.

En dan hebben we het alleen nog over de private energiesector, die slechts 6 procent van de energiebronnen in handen heeft. Meer dan 88 procent van de olie- en gasvelden is in het bezit van staatsmonopolies, waarvan driekwart opereert onder de vlag van dictatoriale regimes. Hun impact op de maatschappelijke orde is zo mogelijk nog groter. Uit talloze studies is gebleken dat er een samenhang bestaat tussen de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen in een land enerzijds en armoede en onderdrukking anderzijds.

De verklaringen daarvoor zijn, zoals alle theorieën in de ‘zachte’ wetenschap, niet waterdicht, maar plausibel genoeg om serieus te nemen. Olieregimes, zo luidt de redenatie, hebben geen ‘normale’ economie nodig om aan de macht te blijven en investeren dus nauwelijks in onderwijs, rechtszekerheid en gezondheidszorg. Wie denkt dat de islam daarin een doorslaggevende factor is, moet eens naar Venezuela kijken. Dit land, waar 92 procent van de bevolking katholiek is, was een functionerende democratie met het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking van Latijns-Amerika, totdat een enorme olievoorraad werd ontdekt. Sindsdien is het land vervallen in een bijna-burgeroorlog, nam de armoede toe en daalde het inkomen met meer dan een derde. Niet voor niets noemde de voormalig Venezolaanse olieminister Juan Pablo Perez Alfonzo olie „de ontlasting van de duivel”.

Wie deze keerzijde van de energievoorziening in ogenschouw neemt, ziet dat kernenergie geen alternatief is – en niet alleen omdat de voorraad uranium eindig is. Nee, de parallel is eerder een sociaal-economische: kernenergie is, net als olie en gas, een bijna volledig gecentraliseerde, sterk van de staat afhankelijke en ondemocratische energievorm. Kerncentrales bouwen en exploiteren zal, hoe veilig de technologie ook wordt, altijd voorbehouden blijven aan de machthebbers: het grootkapitaal en de staat. Je kunt als particulier nooit kernenergie produceren – al was het maar omdat de kosten voor beveiliging tegen aanslagen, rampen en de verspreiding van gevoelige kennis alleen door staten te dragen valt.

Hoe anders is dat met zonne- en windenergie. Met die bronnen staat ons een bijna volledig gedecentraliseerde energievoorziening in het vooruitzicht. Geen staatsbedrijven of corporaties meer die de levensaderen van onze samenleving in handen hebben, maar individuele burgers en kleine ondernemers die zelfvoorzienend zijn in hun energiebehoefte. Met een investering van circa 10.000 euro ben je nu al verlost van de maandelijkse energierekening en kun je overproductie leveren aan het elektriciteitsnet.

Wie betwijfelt of we met zon en wind in onze energiebehoefte kunnen voorzien, moet bedenken dat de fossiele variant eveneens geleidelijk tot de huidige omvang is uitgegroeid. Toen in de negentiende eeuw de eerste olieputten werden geboord, had niemand de huidige schaal ervan kunnen voorzien. Datzelfde speelt het alternatief nu parten. Je hebt een groot voorstellingsvermogen nodig om de wereldeconomie te kunnen zien draaien op zonnepanelen, windmolens en biomassa. Maar feit blijft dat alleen al de zon de aarde iedere acht minuten van evenveel energie voorziet als er ieder jaar wereldwijd verbruikt wordt.

In Duitsland hadden ze de potentie daarvan goed begrepen. Met behulp van baanbrekende wetgeving kregen particulieren een belastingvoordeel en een gegarandeerde afnameprijs voor duurzame energie. Het resultaat: in slechts negen jaar werd er meer dan 100 miljard euro geïnvesteerd. Het aandeel duurzame energie nam daardoor toe van 6 tot 17 procent en leverde bijna driehonderdduizend banen op – meer dan alle werknemers van de drie grootste oliemaatschappijen bij elkaar.

De vraag is dus niet zozeer of kernenergie wel veilig, schoon en goedkoop genoeg is, de vraag is tot wat voor soort maatschappij het leidt. Willen we een maatschappij die gedomineerd blijft door logge overheden en het grote geld, of willen we een maatschappij die burgers daarvan juist bevrijdt? Wie dat laatste een vooruitgang vindt, kan kernenergie onmogelijk een aantrekkelijk vooruitzicht noemen. Des te vreemder is het dan ook dat uitgerekend CDA, VVD en PVV er voorstander van zijn: als iets niet past in de filosofie van ‘autonomie in eigen kring’, de ‘vrije markt’ en het land ‘teruggeven aan Henk en Ingrid’ dan is het wel een land vol kerncentrales.

Dáár zou ik wel eens een discussie over willen horen.

Rob Wijnberg is hoofdredacteur van nrc.next.