Karl Marx

Marx leek na de val van de Muur bestemd voor de vergetelheid, maar de kredietcrisis betekende zijn comeback. Kapitalisme en vrije markt schenen toch niet het laatste woord te hebben.

De zeepbel van bonussen en speculaties doet inderdaad denken aan Marx’ claim dat het kapitalisme zijn eigen doodgraver is. Toch ligt het lastiger. Voor Marx zorgt de tegenstelling tussen arbeider en kapitaal uiteindelijk voor de dood van het laatste. De arbeider produceert meer waarde dan hij aan loon krijgt (‘arbeidsmeerwaarde’), spekt zijn baas (‘kapitaalaccumulatie’), verarmt zichzelf (‘Verelendung’), en eist verandering (‘communistische revolutie’). Maar arbeid en productie doen er juist in de geldmarkt nauwelijks toe, noch is de arbeider aan de bedelstaf. Bovendien: de vrije markt is niet omgevallen. Was dat wél gebeurd zonder de miljarden aan overheidssteun? Misschien, hoewel de vrije markt eerder heeft bewezen zeer flexibel te zijn. De dood van de één, is doorgaans het brood van de ander.

Toch is Marx niet achterhaald. Zijn warenfetisjisme beschrijft de eigenschap dat alle producten en sociale relaties kunnen worden uitgedrukt in ruilwaarde – geld, dus. Een betoverend fenomeen dat maatschappelijke verhoudingen versluiert, zelfs vergoelijkt. ‘Ik betaal er toch voor’, is een geldend argument – van betaalde seks tot ultragoedkope, vervuilende vliegvakanties. De economie bepaalt ons bewustzijn en niet andersom.