Veeg teken: 1.507 dollar per 31,1 gram goud

Naderend onheil, dat lijkt het signaal van de voortdurende stijging van de prijs van goud. Gisterochtend bereikte de goudprijs een record van 1.507 dollar per troy ounce (31,1 gram). Gecorrigeerd voor tussentijdse inflatie zou de prijs nog met de helft moeten stijgen voordat de piek van begin jaren tachtig wordt bereikt.

Maar dat neemt niet weg dat goud aan een indrukwekkende opmars bezig is. In 1997, toen het edelmetaal volledig uit de gratie raakte en centrale banken (ook die van Nederland) een flink deel van hun goudvoorraad verkochten, dook de prijs nog onder de 300 dollar.

Op de financiële markten wordt de prijspiek verklaard met een reeks incidenten en ontwikkelingen. De onrust in het Midden-Oosten wakkert onzekerheid aan. Stijgende grondstoffenprijzen kunnen inflatie veroorzaken, waartegen goud als logische bescherming geldt. Het Amerikaanse monetaire en begrotingsbeleid zorgen voor een uitholling van de dollar, de munt waarin goud wordt verhandeld. En door de Europese schuldencrisis kan de euro maar ten dele als alternatief fungeren voor beleggers die de dollar wantrouwen. In tijden van onrust is de vlucht in goud een bijna natuurlijke reflex.

Maar er is ook iets anders aan de hand. Beleggen in goud is door tal van innovaties op de financiële markten voor veel meer mensen en instellingen bereikbaar geworden. De oplevende vraag naar goud komt daarom versterkt op de markt aan, en heeft de potentie de prijzen scherper op te drijven dan voorheen. Hier openbaart zich ook het meervoudige karakter van het edelmetaal. Zorgen om de Amerikaanse monetaire politiek wedijveren met de voorbereidingen op het huwelijksseizoen in India als drijvende kracht achter de prijs van goud.

Het is lastig om te bepalen waar de grens ligt tussen een beredeneerde verklaring voor de hoge goudprijs en pure speculatie. Maar dat betekent niet dat de prijsbeweging genegeerd kan worden. Zelfs als er sprake zou zijn van een ‘hype’, dan verlegt de verklaring zich alleen maar naar waar deze dan vandaan komt.

Uit alle verklaringen, stoffelijk of speculatief, valt te destilleren dat het algemene vertrouwen in het financiële systeem nog lang niet is hersteld. De daling van de goudprijs tot 300 euro vond veertien jaar geleden plaats in de context dat het moderne financiële kapitalisme in westerse stijl niet alleen had ‘gewonnen’, maar ook inherent stabiel was en dat het gevecht tegen inflatie definitief ten einde leek. Een serie van steeds diepere crises en een grootscheepse machtsverschuiving in de wereldeconomie later weten we beter. Goud, hoe onvolmaakt de prijsvorming daarvan ook moge zijn, herinnert ons daaraan.