Trots kunnen zijn op wat ík mooi vind

Theatermaakster en zangeres Louise Korthals (26) won de Wim Sonneveldprijs.

„Zingen is voor mij de eerlijkste manier om iets te vertellen.”

Louise Korthals (26) won op 9 april de Wim Sonneveldprijs voor nieuw en aanstormend kleinkunsttalent. In haar Amsterdamse appartement staat „Wim” (het beeld) nu naast de televisie, met een gele strik om zijn nek. „We hebben het gevierd.”

In haar programma Het Absolute Einde, combineert ze sketches met poëtische liedjes. De jury prijst haar professionaliteit – ‘een indrukwekkende theatermaakster met een ontegenzeggelijke noodzaak om op toneel te staan’.

Na een studie sociologie in Engeland en Amsterdam werd ze aangenomen op de Koningstheaterakademie in Den Bosch.

Louise kent haar karakter. Ze is ‘een analytisch denker’, ‘beschouwend’, ‘kan goed in noodsituaties handelen’. Als ze van het podium afkomt hoeft niemand haar iets uit te leggen. Ze weet namelijk exact wat er goed ging en wat niet. Waar ze gas terug had moeten nemen. Waar ze had moeten ademhalen.

Een perfectionist.

„Klopt. Ik leg de lat zelfs zo hoog dat het verlammend kan werken. Ergens diep van binnen moet ik vertrouwen hebben dat ik goed genoeg ben in wat ik doe, goed genoeg om die prijs te winnen. Anders ga je daar niet staan. Maar voor ik op ga ben ik altijd gierend zenuwachtig. Misschien ben ik vroeger te weinig op mijn bek gegaan. Ik wil het altijd goed doen. En ik weet ook waar die kwaliteit te halen is. Mijn pianist noemt me een theoretische marathonloper. Iemand die de race exact heeft uitgedacht. Maar je moet hem ook nog lopen natuurlijk.”

Heb je dat altijd gehad?

„Ik kan me niet anders herinneren dan dat ik zo tegen de dingen aan heb gekeken. Primair. En heel praktisch. Ik weet nog dat het op de basisschool plotseling in was om verkering te hebben. Ik begreep als kind werkelijk niet waarom je dat op die leeftijd zou doen. Ik zag het nut er niet van in, je kon niet eens echt met elkaar zoenen. Maar ondertussen snakte ik er natuurlijk wel naar om gewoon mee te doen. Waarom was ik niet gewoon kind? Staat daar zo’n krengetje dat op d’r tiende allemaal te veroordelen. Ik vrees dat ik gewoon dacht, dit hóórt niet. Dat dilemma is een steeds terugkerend thema.”

Ook in je voorstelling?

„Aan dit programma liggen verschillende contradicties ten grondslag. Aan de ene kant voel ik constant de druk om te presteren, alles bij te houden, alles te snappen, gezien te worden, en aan de andere kant heb ik een enorme behoefte om me eraan te onttrekken. Ik denk de hele tijd ‘Dit is de essentie niet’. Hallo jongens! We racen er voorbij.”

Wat is de essentie dan wel?

„Ik heb onlangs mijn vader verloren. Die confrontatie met de letterlijke eindigheid – dat benadrukt wel het feit dat het in het leven maar om twee dingen gaat. Dat is niets nieuws: het gaat om de liefde en het gaat om de dood. Dat zal ook altijd zo zijn.”

Wat is er gebeurd?

„Houd je vast. (Ze lacht voorzichtig)Het is geen feestelijk verhaal. Het was op 28 december 2009. Mijn moeder was heel ernstig ziek geweest. Ze had een heel zware behandeling achter de rug en het ging eindelijk iets beter. Ze wilde zo graag weg, naar de warmte, naar de zon. Ik zou met haar meegaan op vakantie, maar mijn vader was zo moe op dat moment. Hij had drie jaar die enorme zorg voor mijn moeder gehad, zijn werk, en bij ieder optreden van zijn dochter vooraan. We wilden per se dat hij meeging, zodat hij even uit kon rusten.”

Dat was nodig?

„Ik was bezorgd omdat hij zo moe was. We zijn die eerste ochtend naar het strand gegaan en terwijl ik met mijn moeder over een strandstoel aan het onderhandelen was, zag ik vanuit een ooghoek dat iemand in zee onwel was geworden en het strand op werd gedragen. Ik ben meteen gaan rennen. Zonder na te denken. Naar het hotel om een ambulance te bellen. Terug op het strand zag ik pas dat het mijn eigen vader was.”

Je wist wat er was gebeurd?

„Ergens denk ik achteraf dat ik gevoeld moet hebben dat het mijn vader was, gezien de snelheid van mijn reactie. Ik zag zo’n kudde mensen richting die toestand rennen en ik weet nog dat ik dacht ‘Stelletje schapen! Wat heeft het voor zin!’ Godzijdank was er een groep Zweedse jongens – artsen – die hebben hem gereanimeerd. Veel te lang trouwens. Dat deden ze voor mij. Ik blééf mijn vader maar aanmoedigen. Kom op pap! Adem. Adem!”

„Maar ik wist al dat hij dood was. Mijn vader heeft altijd gezegd dat hij voor zijn 65ste in één klap – aan een hartaanval – zou sterven. Dit was zijn klap.”

En daar gaat nu je voorstelling over.

„Ja, sterfelijkheid of eindigheid loopt als een rode draad door het programma. Maar ik heb expliciet geprobeerd de dood van mijn vader niet het onderwerp te laten zijn. Het mocht niet te navelstaarderig zijn. Geen therapietheater. Het wordt namelijk pas interessant als je iets universeels raakt. Maar goed het is aan de andere kant weer zo groot, zo’n verlies, dat het je perspectief op dingen verandert.”

Wat is er anders?

„Ik ben veel sterker naar mijn eigen intuïtie gaan luisteren sinds mijn vader overleden is. In het begin plakte ik zijn naam er namelijk op. Als ik iets voelde, dan dacht ik om mezelf te troosten ‘pap stuurt me nu’. Hij geeft iets aan. Ik houd nu veel meer voet bij stuk. Heel bevrijdend eigenlijk.”

Wat was zijn rol?

„Vaders hebben tussen je twintigste en je dertigste vaak een coachende rol. Ik heb hem daarin altijd heel belangrijk gevonden. Wilde dat hij trots was. Ik was zo bezig met mezelf te bewijzen. Nu ben ik zelf de maatstaf. Moet ik trots zijn. Op wat ik mooi vind. En natuurlijk kun je als je zoiets meemaakt ook bepaalde onderwerpen gemakkelijker aanraken. Zo’n liedje als ‘Troost me niet’ – over verdriet dat zo groot is dat je jezelf er doorheen moet huilen – dat kan ik nu schrijven, omdat ik het heb meegemaakt.”

Je liedjes zijn persoonlijker dan je sketches.

„Liedjes voelen voor mij als de ziel van de maker. Ze mogen poëtisch zijn. Taliger. Als kind zong ik altijd al, ik vind dat heerlijk. Zingen is voor mij de eerlijkste manier om iets te vertellen. Ik heb het altijd zo gedaan. Ik houd immens veel van muziek.”

Ze denkt na.

„Die Zweedse jongens die eindeloos mijn vader hadden gereanimeerd stonden daar in het ziekenhuis. Helemaal uitgeput, ontdaan. We wisten dat mijn vader het niet ging redden. Ik dacht: ‘Ik moet ze bedanken.’”

Hoe?

„Ik ken één Zweeds lied. ‘Gabriella’s Song’, uit de film As it is in heaven. Dat ben ik toen gaan zingen. In dat ziekenhuis. Voor die Zweedse jongens.”

Louise Korthals (www.louisekorthals.nl) is te zien gedurende de finalistenweek in Klein Bellevue, Amsterdam: 10 t/m 14 mei; Finalistentournee: september-december. www.amsterdamskleinkunstfestival.nl