Leg agroparken aan op de Maasvlakte, dan ben je de megastallen kwijt

Natuurlijk is een megastal lastig voor mensen in de buurt, zegt landbouwkundig ingenieur Edo Gies. Naar het industrieterrein ermee.

Edo Gies © Foto Merlin Daleman
Edo Gies © Foto Merlin Daleman

De opa van Edo Gies was boer. Boer en klompenmaker, in Didam. De vader van Edo Gies was timmerman. En Edo Gies (40) is ingenieur, Wagenings ingenieur. Hij werkt bij Alterra, een kennisinstituut van Wageningen Universiteit. Hij weet alles van megastallen. Hij schreef er in 2007 een rapport over, met collega’s, in opdracht van het ministerie van (toen nog) VROM. Hoor hem één minuut praten en je denkt: Boeren? Beesten? Zó negentiende-eeuws.

Edo Gies – blozende wangen en blond haar – heeft het over agro-ondernemers en hun toeleveranciers, over de verwerkers van hun producten en de waarde die ze toevoegen, over de vraag hoe en waar je ze het beste clustert. Bij de snelweg? In de Rotterdamse haven?

Ondertussen wordt de weerstand tegen de landbouw steeds sterker.

„De mensen die tegen de bio-industrie zijn, krijgen nu steun van de mensen die op het platteland zijn gaan wonen en geen megastallen bij hen in de buurt willen.”

Begrijpt u hen?

„Ja, want het is heel vervelend om naast een megastal te wonen, al is het maar omdat je huis minder waard wordt. Maar veel weerstand komt ook voort uit onwetendheid. Mensen zien de dieren niet meer, ze weten niet wat er in de stallen gebeurt. Dat maakt argwanend. In werkelijkheid is er nu veel meer aandacht voor het welzijn van dieren en hun gezondheid dan tien jaar geleden.”

Wat vindt u ervan dat Noord-Brabant en de Tweede Kamer voorlopig geen nieuwe megastallen willen?

„Een maatregel voor de bühne. Je wilt dat de veehouderij duurzamer wordt en dat de stallen beter in het landschap worden ingepast. Dat bereik je hier niet mee.”

Hoe moet het wel?

„Betere ruimtelijke ordening. De afgelopen jaren zijn er gebieden aangewezen waar de landbouw mag groeien. Het zijn de verkeerde gebieden. Ze liggen buiten de dorpen, maar er wonen wel burgers, vaak mensen uit de steden. Zij zijn degenen die de boerderijen kopen van de boeren die stoppen. Als ze een megastal naast zich krijgen, moeten zandpaden geasfalteerd worden, want de vrachtwagens met veevoeder en dieren rijden af en aan. Dat is geen doen. Overal komen nu van die grote complexen die slecht in het landschap passen. Dat is lelijk. Je kunt veel beter naar locaties bij de grote wegen zoeken. Leg agroparken aan op de Maasvlakte.”

Burgers accepteren het industriële karakter van de landbouw niet.

„Nee. Maar voor hun meubelen rijden ze wel naar een industrieterrein. Met Ikea hebben ze geen enkele moeite.”

Wilt u zeggen dat het valse romantiek is?

„Ze willen zo weinig mogelijk voor hun vlees betalen, maar op zaterdag gaan ze wel naar de boer voor zijn zelfgemaakte yoghurt. Ze kopen een beleving. Intussen wordt de bulkproductie steeds groter. Dat hou je niet tegen.”

Er zijn mensen die zeggen dat de productie van vlees beter helemaal verplaatst kan worden naar Zuid-Amerika en China.

„Dat kan. Dat is een idee.”

Een goed idee?

„Nederland loopt voorop als het gaat om de kwaliteit van de productiemethoden. Je kunt zeggen: daarom houden we de agro-industrie hier. Je kunt ook zeggen: we exporteren onze kennis naar China en Zuid-Amerika, zodat de productiemethoden daar duurzamer worden.”

Is het realistisch van alle boeren in Nederland te eisen dat ze biologisch gaan produceren?

„Als de markt erom vraagt, is dat realistisch.”

En van alle boeren op de wereld?

„Nee, nee, nee, dat is onmogelijk. De vraag naar dierlijke eiwitten wordt steeds groter. Dat zou veel meer ruimte kosten dan er is.”

Hoe groot is de invloed van het Burgerinitiatief Megastallen Néé en de Partij voor de Dieren op de landbouw?

„Hun invloed? Het is een speldenprikje.”

Een nuttig speldenprikje?

„Ja, want zoals het nu gaat, gaat het niet goed.”