Kunst die klatert, ronkt en vuilbekt

Rudi Fuchs belicht in zijn essays het hoe en waarom van de meest uiteenlopende kunstwerken.

Joost Zwagerman stort zich gretig op de achtergronden.

Je ziet een donkergroen vierkant. Het is een ingelijst schilderij van een gemiddeld formaat – voor boven de bank, als het ware. De penselen hebben in de verf nauwelijks sporen achtergelaten. De naam van de schilder doet niet direct een bel rinkelen en een vergelijking met Zwart vierkant van Malevich ligt te zeer voor de hand. Je komt in een lastig parket als je een groter publiek zou moeten vertellen wat dat vierkant uitstraalt en waarom dat doek er toe doet.

Zulke vragen liet Rudi Fuchs in essays in De Groene Amsterdammer steeds op één of op twee doeken of beeldhouwwerken los. Die zijn nu gebundeld, in een ‘leesboek over kunst’. Bij de ruim zeventig teksten staan de foto’s afgebeeld van de kunstwerken waar het over gaat. Fuchs’ blikken en invalshoeken zijn dus op de voet te volgen. En dat blijkt vooral zinvol in die gevallen waarbij hij twee kunstwerken van twee zeer uiteenlopende kunstenaars met elkaar confronteert.

Neem een abstracte wandschildering (2006) van Jan van der Ploeg; een samenspel van zes elementaire vormen als cirkels en afgeronde rechthoeken op een zwarte ondergrond. Fuchs wijst er dan op dat daar eeuwen van ‘choreografische’ studie aan vooraf zijn gegaan. En ter illustratie daarvan plaatst hij pal naast Van der Ploeg een vroeg-16de-eeuwse gravure van de kindermoord in Bethlehem, door Marcantonio Raimondi, een massascène van razende, naakte mannen in gekunstelde vechtposes, die vrouwen met kinderen belagen. ‘Er hebben zich voorkeuren en gewoontes vastgezet die vaak een gevolg zijn van vormgevingen in de klassieke beeldende kunst. Zo onmerkbaar […] dat we onze appreciatie voor de beweeglijke verhoudingen tussen vormen, en hun verfijnde maatvoering [zoals bij Van der Ploeg], als volkomen natuurlijk ervaren’, schrijft Fuchs. En zo is het – al had je zelf nooit gedacht aan zo’n eigenaardige combinatie.

Er zijn meer gedurfde confrontaties: neem een metersbreed, ‘roerig spektakel’ van lucht en land van Robert Zandvliet, naast ‘een wals van kleuren’ van Cobra-grootheid Asger Jorn. ‘Het gaat bij beiden om hetzelfde’, aldus Fuchs’, ‘om het meeslepend ruimte geven aan kleuren van licht. Met Zandvliets handschrift deint het licht, bijna roerloos. In het schilderij van Jorn lekt het druipend tussen de arabesken kleur als in de zomer, in een bos na een regenbui.’

Wie zo’n monochroom donkergroen vierkant voorbij loopt, alsof het een deel van de centrale verwarming is, maar die zich wél kan vinden in dat roerige handschrift van Zandvliet – die doet er goed aan zich door Fuchs bij de hand te laten nemen. Als een geduldige leermeester maakt hij eerst wat globale omtrekkende en aftastende (oog)bewegingen om je vervolgens wegwijs te maken in de manier van werken van de kunstenaar, in de toon, de lichtval, in details, de atmosfeer, de compositie. Hij ontsluiert bijna laconiek datgene wat zich eerst massief, eendimensionaal of gemakzuchtig aan je voordoet.

Haaks op Fuchs’ toenaderingspogingen staan de journalistiek getinte kunstverhalen die Joost Zwagerman voor een deel eerder publiceerde in Vrij Nederland, Hollands Diep en NRC, en die nu, samen met literaire recensies en interviews, zijn gebundeld in Alles is gekleurd. Het komt niet vaak voor dat tegelijkertijd twee boeken over moderne kunst verschijnen die zeer de moeite waard zijn om te lezen, en elkaar bovendien aanvullen.

Terwijl Fuchs zich verre houdt van het ‘biografisch kijken’, stort Zwagerman zich met een aanstekelijke gretigheid juist wél op de achtergronden, verstandhoudingen, wedijver en mythomanie van klassieke en eigentijdse grootheden als Mark Rothko, Andy Warhol, Annie Leibovitz, Jeff Koons en Damien Hirst.

Goed, over die heren is al flink wat geschreven, maar Zwagerman houdt zijn stukken spannend door hinkstapsprongen in tijd en kunst te maken, door met citaten te strooien, door eigen waarnemingen te mengen met meer algemene opvattingen en door zijn kunsthistorische belezenheid te etaleren. Hij doet wat illustere Angelsaksische collega’s als Robert Hughes en Simon Schama ook durven in hun boeken: je niets aantrekken van de brave dames en heren kunsthistorici, maar met bravoure leven brengen in de brouwerij van statische kunstwerken.

Zijn boek Alles is gekleurd waaiert breed uit. Wie en wat bracht Pollock ertoe verf te drippen? Hoe verloor het gemusealiseerde Parijs na de oorlog zijn status als kunststad van de wereld, terwijl zich daar veel meer kunstenaars ophielden dan in New York? En welke invloed had Picasso – hij zette nooit voet op Amerikaanse bodem – op de naoorlogse schildersgeneratie in de VS? Het zijn stuk voor stuk lezenswaardige verhalen met smaakvolle citaten (Picasso over een doek van Willem de Kooning: ‘Het lijkt op mijn werk, maar dan nadat het is gesmolten’), maar Zwagerman ligt toch vooral de pop-art na aan het hart. Vandaar die zes stukken over Andy Warhol.

Ook Zwagerman gaat op zoek ‘naar het hart van de man die benadrukte van plastic te zijn’, en dat doet hij in biografieën, bij filosofen, in interviews, zoals met Lou Reed (‘Andy ging elke zondag naar de kerk’) en met Gerard Malanga, een van de weinige assistenten uit The Factory die tevreden terugkijken op hun tijd in de meest kekke en linke kweekvijver die New York ooit gekend heeft. Zwagerman vraagt aan dichter Malanga of Warhol zijn poëzie las. „Hij lette meer op het uiterlijk van een bepaalde tekst”, antwoordde Malanga ernstig. De popart-paus, die zich graag beperkte tot de woorden pretty en fabulous, lijkt inderdaad het ultieme toonbeeld van oppervlakkigheid. ‘Het raadsel is dat er geen raadsel is’, aldus Zwagerman. ‘Als dat geen groot en dwingend raadsel is.’

Hoe grondig Zwagerman Marlene Dumas ook doorzaagt over haar thematiek en hoe intrigerend hij de ‘schijntaal’ ook analyseert van de Amerikaanse schilder Cy Twombly, de cerebrale museumstilte mag af en toe ‘lekker vet aan flarden gaan’, schrijft hij. En dat gebeurt in het Bonnefanten Museum in Maastricht (2009), waar de ‘adellijke smerigheid’, ‘gesoigneerde stijlloosheid’ en ‘laaiende onverzoenlijkheid’ van Amerikaanse ‘middelvingerkunstenaars’ als Peter Saul, William Copley en H.C. Westermann te zien was. Ze kregen geen voet aan de grond bij de keurige, kunst sparende Amerikaanse elite. Want wat moet je met een portret aan de muur van een cartoonesk mokkeltje dat Mona Lisa heet en een pizza zit uit te kotsen?

Zwagerman geniet in de zalen: ‘de kunst hangt te ronken, te vuilbekken, te schateren en te klateren, te schetteren en te spetteren’. Maar dan wordt hij ter plekke toch ineens overvallen door het muisstille, want introverte werk van de nagenoeg onbekende Alfred Jensen (1903- 1981). Een schilder die in abstracte doeken met kinderlijke hand Chinese symbolen en tekensystemen neerzette. Zwagerman gaat op zoek naar die Jensen. En wat blijkt: Alfred Jensen was een levenslange vriend van Mark Rothko. En aan die Jensen en Breslin danken we het volgende, verrassende citaat van Rothko: ‘Voor mij was Mondriaan een van de sensueelste schilders die ooit hebben geleefd.’ Dit verhaal over twee waardevolle verhalenbundels is rond. Want laat het nou net Mondriaan zijn die Fuchs in zijn eigen leesboek, steeds verstopt in een bijzin, als kunstenaar, als maat der dingen, het vaakst opvoert.

Rudi Fuchs: Kijken. Een leesboek over kunst. Ludion, 171 blz. €24,90

Joost Zwagerman: Alles is gekleurd. Omzwervingen in de kunst. De Arbeiderspers, 377 blz. € 24,95