Opinie

Ingewijden, betrokkenen, bronnen zonder naam – maar wel met regels

De ombudsman

Anonieme bronnen zijn de brandstof – en het zand in de motor – van de journalistiek.

Wie zijn die ingewijden die opstaan met een glas spraakwater?

De brandstof, omdat allerlei onthullingen de krant anders nooit zouden halen. Historisch is de Watergate-verslaggeving van The Washington Post, die mede leidde tot de val van Richard Nixon, en voor een groot deel afhankelijk was van anonieme bronnen. ‘Deep Throat’ zou een vreemde persoonsnaam zijn.

Ook allerlei andere onderzoeksverhalen, zoals de artikelen die NRC Handelsblad publiceerde over de Nederlandse steun voor de Irak-oorlog – en die meespeelden bij het instellen van de commissie-Davids – zouden onmogelijk zijn zonder het gebruikmaken van informanten die hun naam niet in de krant willen.

Maar anonieme bronnen kunnen de rit ook bederven. Omdat anonymi graag hun gram halen, oude rekeningen vereffenen, of, al dan niet in opdracht, propaganda de wereld in slingeren. The New York Times gaf bijvoorbeeld toe dat die krant in de (onjuist gebleken) berichtgeving over massavernietigingswapens van Saddam Hussein te veel had geleund op anonieme ‘overheidsfunctionarissen’ van de regering-Bush.

Bovendien, de lezer kan de betrouwbaarheid van al die zegslieden natuurlijk niet controleren. Wie zijn al die ‘betrokkenen’, ‘welingelichte bronnen’ en ‘ingewijden’ die opstaan met een glas spraakwater? En is het wáár wat ze vertellen?

Serieuze kranten hebben daarom strenge regels opgesteld voor het omgaan met anonieme bronnen. Hoge eisen stelt The New York Times, die in 2004 de regels nog verder aanscherpte na de pijnlijke ontmaskering van Jayson Blair, de veelbelovende verslaggever die sommige van zijn naamloze bronnen bleek te hebben verzonnen.

Cruciaal is, aldus de Amerikaanse krant, dat informatie van anonieme bronnen nieuwswaardig moet zijn én betrouwbaar, en niet op een andere manier kan worden verkregen. Anonimiteit moet een laatste toevlucht zijn. Bovendien moet de identiteit van de anonieme bronnen bekend zijn bij ten minste één chef of adjunct-hoofdredacteur.

NRC Handelsblad hanteert vergelijkbare regels: de informatie moet van publiek belang en betrouwbaar zijn, de bronnen bekend bij chef of hoofdredactie.

Of de praktijk in de pas loopt met de leer, is natuurlijk de vraag. Onderzoek bij de Times leerde in 2008 dat het aantal anonieme bronnen in die krant was afgenomen, maar dat hun gebruik nog steeds niet goed werd uitgelegd aan de lezer.

En de krant die u nu leest?

NRC Handelsblad publiceerde onlangs een opzienbarend verhaal over voetbalmakelaar Søren Lerby. Op de voorpagina stond een nieuwsbericht dat Lerby geheel in strijd met de landelijke regels 15-jarige spelers had gecontracteerd (Søren Lerby in de fout met jeugdcontracten, 7 april). Bovendien zou Lerby veel hogere percentages toucheren dan gebruikelijk. Binnenin werd het verhaal over twee volle pagina’s uitgewerkt (De schimmige praktijken van een charmante voetbalmakelaar).

Waar kwam dat verhaal vandaan? Er was sprake van „betrokkenen, binnen en buiten de kring van Lerby”, „ingewijden”, nog een „betrokkene”, en van „spelers, collega’s en bestuurders”. De krant beschikte, volgens het artikel, ook over documenten, die de berichten op onderdelen – de riante vergoedingen aan Lerby – bevestigden.

Een lezer uit Utrecht vraagt zich nu af, of een verhaal wel zo zwaar mag leunen op anonieme bronnen, en wat het beleid van de krant is.

Het verhaal leunde inderdaad zwaar op anonieme bronnen. Maar met reden. De journalisten die het verhaal onderzochten, sportredacteur Koen Greven en verslaggever Huib Modderkolk, verzekeren me dat het op geen enkele andere manier was gelukt het op te schrijven. De sportwereld is gesloten over deze kwestie, waar al langer geruchten de ronde deden, en bronnen stonden op anonimiteit voordat ze openheid wilden geven.

Heeft de krant zich daarbij aan de eigen regels gehouden?

Ja, dat vind ik wel – zelfs op een vrij voorbeeldige manier. Greven en Modderkolk overlegden regelmatig met een lid van de hoofdredactie – bij wie de identiteit van hun bronnen bekend is. Dat waren er ook niet een of twee, maar zo velen en zo goed geplaatst, dat de informatie die zij – los van elkaar – gaven, als betrouwbaar kon worden beoordeeld. Details werden zoveel mogelijk via andere bronnen gecheckt.

Wederhoor is bovendien cruciaal. Lerby werd gedurende twee uur ondervraagd. Het artikel werd hem hem voorgelegd. Publicatie werd vervolgens een dag uitgesteld om hem meer tijd te geven te reageren. Lerby deed het verhaal in algemene termen af als „indianenverhalen”, maar zijn reactie gaf de krant inhoudelijk geen aanleiding het artikel significant aan te passen.

De documenten waarover Greven en Modderkolk beschikten, werden niet afgedrukt, wat je wel zou verwachten. Maar er kan een goede reden zijn om dat niet te doen – en dat was hier het geval – namelijk dat die documenten (door formulering, handschrift of aantekeningen) traceerbaar zijn naar de bron. Dan moet het genoeg zijn te weten dat de krant erover beschikt.

Toch een puntje op de i. Ik zou het beter hebben gevonden als het gebruik van anonieme bronnen, omdat dit stuk er zo zwaar op leunde, niet in het artikel was uitgelegd, zoals nu gebeurde, maar in een apart kader. Het is tenslotte een vorm van verantwoording, geen onderdeel van het verhaal.