Hij kan alles voor me regelen, zegt hij

Hij zit tegenover je in het restaurant. Zijn naam is Tsehate en hij zegt dat hij de beste gids van de stad is – de waarheid, bezweert hij, geen opschepperij.

Hij is negentien jaar en draagt witte sportschoenen – pas als hij zijn voeten op een stoel zet, zie je de gaten in de zolen. Hij noemt je zijn vriend en vraagt of je je hem nog herinnert: jullie hebben elkaar gisteren voor je hotel gesproken, hij was samen met zijn rastavriend, een dj.

Hij vraagt of je die verzamel-cd van Ethiopische jazz nu wél wilt hebben – hij kan zo even voor je bellen. Als je zegt dat je geen cd hoeft, haalt hij zijn schouders op: geen probleem.

Hij vraagt of hij iets anders voor je kan doen: je meenemen naar het museum van Lucy, het lichaam van de oudste mens ter wereld, het bewijs dat het leven begon in Ethiopië. Of jullie kunnen naar de markt – zonder gids is die te gevaarlijk, benadrukt hij, ze rukken de gouden kettingen zo van je hals.

Als je vertelt dat je ook niet naar de markt wilt vandaag, is hij een moment stil. Dan buigt hij zich naar je toe: hij kan álles regelen. Ook wiet. Of chat. Chat is goed, zegt hij, van chat krijg je energie. Al worden Ethiopiërs weleens gek door de chat. Die denken dat ze behekst zijn, dat andere mensen hun bad spirits hebben toegewenst. Zulke mensen zie je op straat, met de daklozen, met de mensen die een beter leven zochten in de stad. Het leven is zwaar in Ethiopië – hij zegt het zonder emotie en kijkt uit het raam.

Daarom is hij blij dat hij werkt. Dat hij de beste gids van de stad is. Hij hoeft niet te bedelen. Hij stuurt zijn moeder soms wat geld. Ze woont nog in het dorp.

Goed, zegt hij, misschien morgen dan naar de markt? Hij kan overal mee helpen – je hoeft het maar te zeggen.

Als je vervolgens gedag zegt en opstaat van je stoel, staat ook hij op. Hij is klein en zijn blouse is veel te groot, zie je nu, de mouwen vallen ruim over zijn handen. Hij vraagt om je telefoonnummer, zodat jullie elkaar kunnen bereiken. Als je zegt dat dat niet nodig is, zwijgt hij. Hij zegt: we zijn vrienden, toch? Hij vraagt of je hem 100 birr kunt lenen. Voor zijn huur. Hij wordt er bijna uitgezet, hij kan even niet zonder een beetje hulp: in de Ethiopische cultuur helpen mensen elkaar, zegt hij.

Hij belooft het overmorgen terug te betalen, hij weet in welk hotel je slaapt, hij zegt dat hij alleen dat nodig heeft: een beetje vertrouwen. Of vertrouw je me soms niet? vraagt hij.

Je weet dat 100 birr voor jou niet meer is dan een Starbucks-koffie. En hier eenvijfde maandsalaris.

Of vertrouw je me soms niet, herhaalt hij. Hij kijkt weer uit het raam – ditmaal omdat hij je niet aan wil kijken.

Renske de Greef