'Happy Holland days' voorbij in Washington

Bij zijn debuut in Washington stond minister Rosenthal gisteren voor een bijna onmogelijke opgave. Het Amerikaanse enthousiasme voor Nederland is bekoeld.

„Nederland is een gewaardeerd bondgenoot en een betrouwbare vriend”, zei de Amerikaanse minister Hillary Clinton (Buitenlandse Zaken) gisteren na het bezoek van haar Nederlandse ambtgenoot Uri Rosenthal.

Twee jaar terug was zij scheutiger met complimenten. „Ik kan niet zeggen hoe verheugd ik ben mijn nieuwe vriend te verwelkomen”, zei ze op 20 april 2009 tegen Rosenthals voorganger Maxime Verhagen. „Het is altijd fantastisch samen te werken met onze Nederlandse bondgenoten.”

Nederland neemt een andere houding aan in de wereld, en gisteren bleek dat dit ook in Washington gevolgen heeft. Onder het kabinet-Balkenende IV vocht het land mee in Afghanistan, mocht het een Afghanistan-conferentie in Den Haag organiseren en prees Clinton Nederland voor zijn „leidende rol” in de G20.

Onder Rutte I bereidt Nederland een beperkte trainingsmissie in Afghanistan voor, draagt het vanuit Amerikaans oogpunt mondjesmaat bij aan de interventie in Libië en is er geen zicht op nieuwe deelname aan de G20. Het laatste thema kwam niet eens aan de orde, bleek gisteren na afloop. De „happy Holland days” uit 2009, zoals een topambtenaar ze noemde, zijn voorbij in Washington.

Bij zijn debuut in de Amerikaanse hoofdstad stond Rosenthal dus voor een bijna onmogelijke opgave. Hij moest het opnemen tegen een volleerde routinier die haar scepsis niet volledig wilde verbergen. In de antichambre waar Clinton zich met buitenlands bezoek presenteert, gaf ze een van haar perfecte presentaties. Kaarsrecht voor de camera’s, rollende volzinnen, geen woord te veel.

Rosenthal moest eraan wennen. Hij plukte aan zijn wenkbrauwen, zette zijn handen op het katheder, haalde ze er weer af, keek om zich heen, en stapte van het ene been op het andere. CNN stelde Clinton een vraag over Libië („dreigt een patstelling?”), de Amerikaanse minister probeerde het weg te praten, en toen het Rosenthals beurt was werd hij overgeslagen. Nadat de correspondent van RTL4 vroeg of de NAVO, Nederland inbegrepen, geen zwaardere middelen in Libië moet inzetten, zei Clinton zuinig dat de VS „tevreden” zijn over de bondgenoten, waarna ze Rosenthal voor het blok zette: „Wilde je daar iets aan toevoegen?”

Dat had Rosenthal niet verwacht. „Laat ik er iets aan toevoegen, mevrouw de minister.” En terwijl Clinton verveeld toekeek, vertelde hij dat het in Libië draait om „overtuiging en geduld”. Clinton prees hem voor zijn „voortreffelijke ideeën” om de sancties tegen Gaddafi aan te scherpen, al bleef in het midden wat die ideeën zijn. „We kunnen dit regime klemzetten”, verzekerde Rosenthal.

Zijn woorden bereikten een voornamelijk Nederlands publiek. Behalve CNN en de persbureaus waren er geen Amerikaanse media op de presentatie afgekomen. Rosenthal was na afloop van zijn bezoek beschikbaar voor elke Nederlandse verslaggever met een camera en microfoon. Hij liet geen kans schieten Clinton „mijn collega” te noemen, zodat Nederland het geruststellende bericht zou bereiken dat Clinton op voet van gelijkheid met hem had overlegd.

Was het ook zo? De afgelopen tien jaar fungeerde Nederland voor de VS als breekijzer in Europa. Dat gebeurde voor de invasie van Irak in 2003 (toen Frankrijk en Duitsland steun weigerden) en bij het opvoeren van de Afghaanse oorlog in 2005 (toen bijna heel Europa niet thuis gaf). Die rol lijkt Nederland te hebben opgegeven: Rosenthal kwam gisteren niet naar Washington met toezeggingen, bijvoorbeeld inzake Libië, waarmee de VS de rest van Europa onder druk kunnen zetten.

Rosenthal vond dat „geen correcte diagnose”. Nederland „doet volop mee”. Het helpt in Afghanistan en Libië, draagt bij aan de introductie van de rechtsstaat in landen van de Arabische wereld. Transatlantische samenwerking staat hoog op de agenda. „Maar Nederland is een zelfbewust land dat zijn eigen spoor volgt”.