Een lichte nostalgie naar andermans koningen

Lange tijd was Duitsland de hofleverancier van prinsen en prinsessen. Een koningshuis geeft een land status, vinden veel Duitsers, maar voor zichzelf vinden ze de monarchie achterhaald.

Een tafereel in Berlijn, tijdens het recente staatsbezoek van koningin Beatrix aan Duitsland. Majesteit legt een krans bij de Neue Wache aan Unter de Linden, een monument voor de slachtoffers van oorlog en geweld. Voor dit classicistische gedenkteken van architect Karl Friedrich Schinkel staan honderden mensen. Even is het stil. Dan begin een man luid te roepen. Als Nederlander krimp je ineen van schrik. Weer een amokmaker die iets tegen de koningin heeft?

Maar nee, deze man bedoelt het niet kwaad; integendeel. Hij roept: „Es lebe die Königin. Dreimal hoch” – leve de koningin, drie maal hoera.

Duitsland is een republiek. Het land wordt democratisch geregeerd. De Duitsers zijn daar trots op. Er valt genoeg te klagen – en dat doen Duitsers graag – maar de tevredenheid over hun Bondsrepubliek is groot.

Toch is het verlangen naar eigen ‘regerende’ vorsten niet helemaal verdwenen. Daar zit de liefde, die door de generaties is overgedragen, te diep voor. Uiteindelijk zijn de voorlopers van Duitsland veel langer vorstendommen geweest dan dat het huidige Duitsland republiek is.

Duitsland gold heel lang als hofleverancier van huwbare prinsen en prinsessen. Van een Duitse eenheidsstaat was weliswaar geen sprake, maar de koninkrijken Pruisen, Hannover, Beieren, Württemberg, Saksen, het keurvorstendom Hessen, het groothertogdom Mecklenburg en de andere vorstendommen die tot ver in de negentiende eeuw deel uitmaakten van de Duitse statenbond, hebben hun adellijke bloed tot in de uithoeken van Europa verspreid.

Kijk alleen maar naar koningin Beatrix, die een Duitse vader (Bernhard Prinz zur Lippe-Biesterfeld) en een Duitse grootvader (Heinrich Herzog zu Mecklenburg) heeft.

Interessant zijn de sporen in Europa van het van oorsprong Frankische vorstengeslacht van de Welfen, met een stamboom die teruggaat naar de negende eeuw. De Welfen regeerden via het koningshuis van Hannover en in een personele unie vijf generaties lang Groot-Brittannië en Ierland.

Invloedrijk is ook de Duitse prins Albert von Sachsen-Coburg-Gotha geweest. Hij was neef van moederszijde en echtgenoot van de Engelse koningin Victoria. Albert geldt als stamvader van de Windsors, van wie William Windsor nu met Kate Middleton trouwt.

De belangstelling in Duitsland voor alles wat met adel en vorstendom te maken heeft, is groot. Toen de Oranjes vorige week in Duitsland op staatsbezoek waren, werd het gezelschap op zijn reis niet alleen door Nederlandse maar ook door veel Duitse journalisten gevolgd. Waar Beatrix, Willem-Alexander en Máxima zich ook vertoonden, overal waren instemmende of bewonderende geluiden te horen. „Hadden wij ook maar een koningshuis”, verzuchtte een inwoner van Dresden, toen de koningin daar een balletschool bezocht.

Zo schwärmerisch is de nuchtere Heinz Buschkowsky niet, de burgermeester van de Berlijnse deelgemeente Neukölln. Hij kreeg in zijn wijk de Oranjes op bezoek. Later verklaarde hij desgevraagd: „Als staatsvorm is de monarchie in Duitsland achterhaald. En toch vind ik het mooi. Het geeft een land status.”

Daarmee is de essentie weergegeven: voor anderen is het goed, voor ons niet meer.

Hoezeer het koninklijke en zelfs keizerlijke gedachtegoed in de Duitse ziel verankerd was, beschrijft germanist en filosoof Herfried Münkler in zijn boek Die Deutschen und ihre Mythen (Rowohlt 2008). Hij verwijst naar de Duitse mythe van Barbarossa (Roodbaard oftewel Friedrich I), de slapende keizer „die eens zal terugkeren en het rijk opnieuw macht en heerlijkheid zal verschaffen”.

Een standbeeld van de ontwakende keizer Friedrich I is te vinden in de ‘Barbarossahof’ van het Kyffhäusermonument in Bad Frankenhausen (Thüringen). Het is niet toevallig, aldus Münkler, dat Roodbaard een ereplaats op de Kyffhäuser krijgt. Dit gedenkteken van megalomane afmetingen is ooit opgericht voor de Pruisische koning en latere Duitse keizer Wilhelm I (1797-1888). Met diens dood was de vorstelijke mythe niet voorbij. Zoals Barbarossa zal hij in de figuur van een nieuwe keizer voor Duitsland terugkeren, was de gedachte toen het monument in 1896 werd ingewijd.

Münkler komt tot de conclusie dat het Adolf Hitler en zijn nazi’s waren die de mythe om zeep hebben geholpen. „Met de catastrofe van de onder de naam Barbarossa gevoerde verovering van Rusland is het verlangen naar de terugkeer van de keizer, zoals dit anderhalve eeuw lang de Duitse politieke cultuur bepaalde, voor altijd verdwenen. Politiek gezien heeft Barbarossa iedere betekenis verloren.”

Nakomelingen van Duitse vorsten spelen geen rol van betekenis meer en vallen nogal eens op door een mentaliteit van fin de race. Zoals Ernst August Prinz von Hannover, directe afstammeling van het eerder genoemde Haus Hannover. De 57-jarige Ernst August staat bekend als ‘de schandaalprins’, die de afgelopen jaren veelvuldig in de roddelpers figureerde met vrouwenaffaires en grove handtastelijkheden. Naar zulke vorsten verlangt geen Duitser terug.

Joost van der Vaart